who knows where the time goes

9. In de eindeloze zomers werd de bakstenen muur in onze tuin erg warm. De rolluiken waren naar beneden en binnen was het donker en koel. Als ik op kamp was en mijn thuis miste, was het dat. In gedachten stond ik dan in de tuin en legde mijn hand tegen de achtergevel die zinderde van de warmte en rook naar zomer en vrijheid. In de wijk speelden we van ‘s morgens tot ‘s avonds op straat. We fietsten naar de huizen van onze vrienden, krijtten op de straat, klommen in bomen, maakten kampen en schreven brieven. Onze ouders wisten niet waar we waren of wat we deden. We kregen een nat washandje mee om te gaan slapen dat even verkoeling bood, binnen de kortste keren warm was en even later alweer te droog. Als ik weer eens niet kon slapen, kreeg ik wat druppels van iets kruidigs in het gele bekertje uit de badkamer waarvan de bodem wit was van de tandpasta. De druppels hielpen niet.

14. Woensdagnamiddag, ik moest studeren en zat op mijn vensterbank met blote benen in de zon. Mijn radio stond luid genoeg zodat ik niets miste van mijn lievelingsprogramma “Cuisine X” op Studio Brussel. Ik luisterde, lachte hard en probeerde intussen een wiskundige formule uit het hoofd te leren. Ik had me niet ingesmeerd want mijn techniek om bruin te worden was toen: eerst verbranden en dan hopelijk niet te fel vervellen zodat er nog wat bruin overbleef. 

8. We hadden bij de vijver langs de spoorweg gespeeld en dat mocht eigenlijk niet. Mijn oudste broer en zijn vriend vingen daar kikkervisjes en ik was stilletjes meegelopen. Ze hadden me niet weggestuurd. Ik kon mijn geluk niet op. Opgetogen probeerde ik ook. Ik was natuurlijk de vijver in gesukkeld. Geschrokken, vies en nat er terug uitgeklommen. Ik bleef lang op straat hangen, wachtte tot ik wat zou opdrogen, tot ze het thuis niet meer zouden zien of ruiken, bang om naar huis te gaan. Toen toch het huis binnengeslopen. Mijn ouders aan de tafel met hun rug naar mij. Ik zo nonchalant mogelijk “ik moet dringend -” gezegd en toen hadden ze zich allebei omgedraaid. “Kom eens terug?”. De straf, die zoals steeds oneerlijk zou voelen, volgde onverbiddelijk. 

16. Ik lag op bed met mijn benen omhoog tegen de muur. We hadden nu een draadloze telefoon en ik belde met een goede vriend en giechelde aldoor. Er hingen gedichten aan de muur die ik had overgeschreven uit het handboek Nederlands en met kneedlijm van Pritt had opgehangen. Op mijn geblutste radio plakte een sticker van Studio Brussel en op mijn bureau één met een regenboog en de tekst “er is hoop door Jezus Christus”.  In mijn la lag een stapeltje dramatische afscheidsbrieven omdat ik dacht dat ik bijna zou sterven. Met een briefje erbij waarop stond dat de brieven pas geopend mochten worden ná mijn dood. 

7. Het was mijn eerste kamp en dat meteen voor 10 dagen. De laatste avond bij het kampvuur was ik in het donker achter een muurtje gaan zitten. Ik dacht aan de leidster die wegging uit de Chiro en probeerde mezelf aan het huilen te brengen. Ik snikte luid genoeg zodat iemand me zou horen. Ik werd gevonden en de leidster in kwestie werd gehaald. Gevleid als ze was, werd ik liefdevol getroost en kreeg de aandacht waar ik zo naar snakte. 

35. Eindelijk nog eens wakker vóór de kinderen. Met mijn koffie in de hand ben ik de glijbaan opgeklommen en ik leun nu wat onhandig tegen een houten balk terwijl ik de lente opsnuif en daar de eerste zonnestralen vang. Mijn koffie heeft nog nooit zo goed gesmaakt, de kippen kakelen om mijn aandacht en ik wenste dat ik de tuin uit kon wandelen, het park in en dat niets of niemand iets van mij wou vandaag. 

12. In het zesde leerjaar waren de jongensschool en de meisjesschool ineens gefuseerd. We gingen zwemmen en toen ik mijn armen omhoog stak, wees een jongen naar mijn okselhaar en lachte. Ik wist tot dan nog niet dat dit iets was waar je je voor diende te schamen, maar deed het meteen. Met gloeiende wangen liet ik mijn armen zakken en die avond smeekte ik mijn ouders of ik mijn oksels mocht scheren. Na wat geaarzel mocht het en ik ging opgelucht en met prikkende oksels slapen.

20. Ik had iets met een jongen die te knap, te slim en te rechtuit voor mij was. Hij zei alles wat hij dacht en dat kon grof en kwetsend en dan weer onverwachts teder zijn. We hadden iets maar ook weer niet. We zeiden steeds: toch maar beter niet, want we zijn zo anders en begonnen dan weer te zoenen. We namen afscheid bij de voordeur aan mijn kot en zeiden: vanaf nu niet meer. We zijn zo anders. En wisten dat het de volgende keer weer zou gebeuren. Als hij weg fietste, voelde ik die zwarte, groeiende onrust die er was gekomen na haar dood meer dan ooit en ik huilde dan.

15. Ze was de liefste vriendin ter wereld en nu was haar vader gestorven. Mijn ouders waren het ‘s avonds komen vertellen in mijn bed maar ik mocht niet naar haar toe. Dus ‘s morgens, toen ik eindelijk mocht, wandelde ik met een zwaar hart door onze wijk. Langs kleine weggetje waar we eindeloos veel hadden gespeeld, gefietst en vooral honderduit hadden lopen kletsen. Halverwege zag ik haar, ze was ook net op weg naar mij. We hielden elkaar lang vast en ik wenste en bad dat haar vanaf die dag nooit nog iets of iemand verdrietig zou maken. 

na Mexico

dat vliegtuig uit en daar is weer zacht en voorzichtig
daar is wegkijken of glimlachen
nauwelijks merkbaar
jezelf minder maken
‘goeiemorgen’ mompelen
tussen de tanden

de vogels kleiner, kleuren zachter,
het bloeien korter
de af en toe zon
taal die zich lijkt te verontschuldigen
voor haar bestaan
zich onmerkbaar nestelt en
ontroert in details

en daar is melancholie
daar zijn emmers vol
melancholie

en ik
ik wil nog niet
ik wil luid, uitbundig, overdadig
brede monden die lachen
al van ver geruststellen
dat verontschuldigen niet nodig
ik wil uitroeptekens!
zomaar in een gedicht!
en een zon die weigert
teleur te stellen

niet inhouden
niets kleiner dan nodig
nooit minder dan nodig
taal als muziek
zonder een spoor
van melancholie

en het komt wel weer
ik ben een kind van de melancholie
het past me
ik trek het wel weer aan
binnenkort
en zal dan zeggen
dat er niets schoners is
op de wereld

maar nu nog niet
vandaag nog niet

en als ik het doe
misschien toch vanaf nu
mezelf iets minder
minder maken
en af en toe
melancholie
met een uitroepteken
!

een vat vol clichés

Ik was 10 dagen in Mexico en nu ben ik even een vat vol clichés. Ik zeg dingen als: ik ben verliefd geworden op dat land en: ‘t is de jetlag en: ik wou daar blijven. Ik wil nu Spaanse les volgen en leren dansen zoals de latino’s. Ik zeg “si”, “gracias” en “disculpe” tegen mijn kinderen. 

Ik zet Mexicaanse muziek op, sluit mijn ogen en lig weer met mijn hoofd op de schoot van R. Op de radio een Mexicaanse zender. De auto die over de stoffige wegen hobbelt en ik die niet misselijk word. Langs dorpjes vol mensen zo lief, zo warm, hutjes in zoveel kleuren, vlaggen en kerkjes overal. Het leven is er vast zwaar maar je ziet het niet. Zelfs de straathonden lijken tevreden. Stil blijven liggen is onmogelijk met die muziek, dus mijn onderlijf wiebelt terwijl ik mijn hoofd stil probeer te houden. Af en toe roept ze triomfantelijk “hebbes” en dan hoor ik hoe ze de neet tussen haar nagels doodknijpt. Ik heb luizen, voor het eerst in meer dan 25 jaar, en dat natuurlijk net die ene keer dat ik samen met 3 vrienden, zonder man en kinderen, naar Mexico vloog. Maar eigenlijk vind ik het niet erg. Niets lijkt erg hier. Mijn zogenaamde hoogsensitiviteit verdwenen. Mijn wagenziekte en mijn last van de warmte ook. Ik lig gewoon te genieten van iemand die kickt op de jacht naar luizen waardoor ze de hele rit in mijn haar zit te wroeten. Elk flauw mopje dat vooraan in de auto gemaakt wordt doet me tevreden en uitgebreid giechelen. Het werk, de kinderen, het zorgen voor, de to do lijsten ver ver ver weg. Onbestaand. Een heerlijk gevoel van vrijheid. Iemand schatte me 28 jaar, ik kocht prachtige oorbellen, ik danste op een Mexicaans trouwfeest van een goede vriend en zwom in 6 cenotes. We zagen flamingo’s, pelikanen en albatrossen alsof het zeemeeuwen waren en de zon zakte in de zee. Kinderen speelden met zelfgemaakte vliegers en er was overal en altijd muziek. 

Ik was 10 dagen in Mexico en nu ben ik een vat vol clichés. Ik dans op de muziek en probeer het vlugge voetenwerk dat die Mexicanen allemaal onder de knie hadden (letterlijk, hahahaha, ik lach nog steeds met de allerflauwste moppen) na te doen. 

Lessen zijn voorzeker nodig, zegt de man en hij geeft een welgemikte mep op een bepaald onderdeel van dat wiebelende onderlijf. Dát onderdeel, dat was echt thuis in Mexico. Dus ik neem me plechtig voor het vanaf nu wat meer te appreciëren. Ik zal het in ieder geval nog nodig hebben in die danslessen. 

ge wittet é

Toen mijn mémé net gestorven was, wandelde ik het park in met mijn hart wagenwijd open.

Het was een prachtige dag en de zon scheen door het riet heen en de pimpelmeesjes die daartussen zaten kwetterden opgewonden. Alles wat ik zag leek van zo’n betoverende schoonheid en ik dacht aan mémé en ze voelde zo dichtbij. 

Ik had haar enkele dagen daarvoor nog gezien, ze had mijn handen en die van mijn vader steeds opnieuw vastgegrepen, als bij wonder mijn naam gezegd en bleef met hese stem in dat vertrouwde, warme dialect herhalen “ik zie u hèrn, ik zie u zwo hèrn, ge wittet é”. 

Ineens zag ik helder dat ze dat áltijd had gezegd, zolang als ik me herinner had ze elke gelegenheid aangegrepen om te kunnen zeggen hoe graag ze ons zag. Altijd weer opnieuw. Wat was ik als kind graag bij die vrouw die niets liever deed dan ons verwennen. Een mémé vol liefde.

En daar in het park leek het goud van de zon die liefde door het riet heen te spuiten. Overdadig, kwistig net zoals zij was geweest met haar liefde. Een warme gloed trok door me heen en het voelde zo warm en schoon en ik huilde ontroerd. Het verzachtte het gevoel van schuld omdat ik haar de laatste jaren te weinig bezocht had. Dat confronterende beeld van mémé die er niet echt meer was, die steeds hetzelfde zei en me niet meer kende, had me daar weggehouden. 

Maar op dat moment voelde ze zo dichtbij en ik bedacht me dat zij en pépé ook jaren dagelijks in het park hadden gewandeld. Het park van Heule stelt qua grootte niet veel voor in vergelijking met het Rivierenhof maar zou ze ook, net als ik, zo vaak ontroerd geweest zijn door wat ze zag? Stilgestaan hebben met tranen in de ogen, omdat wat ze zag niet te vatten was? Dat licht, die geur, die mist en de geluiden. En dan nog iets wat niet met woorden te beschrijven is, iets dat alles overstijgt, iets dat je vult met vreugde en spijt tegelijkertijd. Een verlangen naar, iets dat er even is maar ook niet echt en zo weer weg. 

Toen ik jaren geleden besefte dat ik niet meer kon geloven in dat verhaal waar ik mee opgroeide, die ene manier, die ene weg die alle andere resoluut uitsloot, dacht ik dat dat het einde van spiritualiteit moest zijn voor mij. Dat het niet anders kon. Alles of niets. Zo leerde ik het en die overtuiging zit daar blijkbaar nog ergens, na al die jaren. 

Maar de laatste tijd zie ik het soms, ver weg van een boek, een kerk, ver weg van taal. In het park voelde mémé zo dichtbij. Ik voelde troost en diepe ontroering. Als mijn hart zo wagenwijd openstaat dan raakt er iets diep en het voelt niet van deze wereld. Er is meer mystiek daar dan er voor mij ooit geweest is met dat boek of in die kerk. Het gaat niet over vragen en zeker niet over antwoorden, maar over diepe ontroering en verwondering. 

Ze werd begraven in intieme kring. Het zoontje had zacht over de kist geaaid. Iemand vertelde de kinderen dat als er tranen zouden vloeien, ze niet moesten schrikken. Dat dit geen tranen van verdriet maar van dankbaarheid waren. Kinderen schrikken niet zo snel van tranen, ook niet als die van verdriet zijn, is mijn ervaring. Ze zien ze weinig bij volwassenen, dat wél. Maar als ze jong genoeg zijn, voelen ze nog dat er geen goede of slechte emoties zijn, dat dankbaarheid niet boven verdriet staat. Er vloeiden natuurlijk tranen. Van dankbaarheid, zeker. Van ontroering. Maar ook van verdriet. En dat was oké. 

Nadien zat ik met de kinderen in de zetel. ‘Heb ik al gezegd hoeveel ik van jullie hou?’ vroeg ik de dochter. ‘Ja ja’, zei ze terwijl ze met haar ogen rolde, ‘al ontelbaar keer’. Ik dacht aan mémé en glimlachte tevreden. ‘Goed zo. En wannéér hou ik van jullie?’ ‘Altijd’, vulde het zoontje aan. ‘Als ik blij ben, als ik boos ben, als ik Mira pijn doe.’ Hij dacht even na en zijn ogen fonkelden. ‘Als ik het huis in brand steek.’ De dochter nu met een grijns: ‘Als ik kaka op jouw hoofd doe.’ Ik wist welke kant we opgingen. Niet geschikt voor gevoelige lezers in ieder geval. Maar ik bevestigde met een glimlach, ‘ook dan hou ik van jou’. En mijn hart stond wagenwijd open.

was ik een boom

Sinds september probeer ik bijna elke ochtend een wandeling te maken in het park, dat steeds meer mijn therapeut én mijn muze is. Ik moet mezelf bij de vijver regelmatig met tegenzin wegrukken. Ik sta daar soms met tranen in de ogen en voel dan een intens verlangen om een boom tussen de bomen te worden. Niemand die me nodig heeft, geen moeilijke keuzes te maken, geen verwachtingen, geen ongemakkelijke gesprekken in de supermarkt en op de eerste rij om alle schoonheid daar te aanschouwen. Te zíjn. 

Maar welke boom zou ik dan zijn? Graag zou ik een magnolia zeggen, of een kerselaar. Een boom met zachte bloemknoppen die eind maart al open zijn of toch klaar zitten en die het nog kale, slapende park zachtjes wekken met hun geuren en kleuren. Een betoverende en hoopgevende boom. 

Maar ik moet eerlijk zijn. Vandaag bleef ik af en toe bij een boompje staan en kon niet anders dan meewarig en licht spottend mijn hoofd schudden. Én toegeven, jaja ‘t is al goed, dít ben ik. 

Een boompje dat zijn, intussen droge, krakende, vuilbruine bladeren, nog steeds vasthoudt ook al is het eind maart. Een bang boompje dat niet durft. Dat controle wil. Dat koppig wacht met loslaten tot het helemaal zeker is dat de lente daar is. Tot het vogelgezang oorverdovend, de bloesems overal en genoeg frisgroen om niet meer te twijfelen dat de stilte, het wachten, het doodse nu definitief voorbij is. En dan snel die bladeren loslaten. En jaloers zijn op zij die dat eerder durfden. Want ik wil óók nu al bloesems. 

Ik zou groeien naast een magnolia. En smoorverliefd zijn natuurlijk. Genieten van alleen maar naast haar staan, in haar nabijheid. En met mijn dorre herfstbladeren nog in de handen trachten haar aandacht te trekken. Ze sexy laten kraken en ritselen door wat te wiegen. Ik zou haar nooit kunnen krijgen en we zouden dat allebei weten. Maar ze zou beleefd wat van haar geur mijn richting uit sturen en er zou al eens een bloemblaadje op mijn takken landen. En dat zou genoeg zijn. 

Maar misschien doe ik mezelf wat teveel onrecht aan. 

Zo zag ik op diezelfde wandeling een kleuterklasje op uitstap. Ze stonden netjes per 2, droegen fluovestjes en zongen één of ander schattig liedje over een paasei. Want het kan natuurlijk niet dat je in maart in het park loopt en dan sinterklaasliedjes zingt, dat is erg verwarrend voor plant en dier. 

Een moeder of juf stond bij het poortje van het arboretum, waar ik graag naar binnen wilde.

Ze stond er recht voor en had het poortje voor alle zekerheid ook nog eens in het slot gedaan. Niet dat het poortje op een drukke straat uitkwam, gewoon op een weggetje in het park. Ook niet dat die kinderen enige tekenenen van ontsnappingsdrang vertoonden. 

Voorzichtig schoof ik het slot open en opende het poortje. Ik zag de angst in haar ogen. Haar neusgaten sperden iets verder open terwijl ze iets té luid probeerde verder te zingen alsof er niets aan de hand was (er was dan ook niets aan de hand). Intussen liet ze haar blik gejaagd heen en weer gaan tussen het poortje dat enkele seconden zou opengaan en de kinderen die daar nog steeds lieflijk stonden te zingen.

Het poortje viel meteen achter me dicht en ze kon niet snel genoeg het slot weer dichtschuiven. Opgelucht zong ze weer wat zachter (wat mij dan weer opluchtte) en keek me nog even met een strenge “dat was nipt mevrouwtje!”-blik aan. 

Ik keek nog eens naar de kinderen om te zien of ik iets gemist had, maar nee, ze stonden nog steeds op exact dezelfde plaats te zingen en schattig te zijn en hadden, zo zag ik nu, nog minstens 5 extra begeleiders bij. 

Nee, ik was te streng geweest voor mezelf, concludeerde ik nu. Díe vrouw, zíj was de bange boom met de herfstbladeren in maart. 

En ik?

Ik ben geen moedige magnolia wiens bloemknoppen al klaarzitten in de herfst en die zo weer, wind en vrieskou trotseert. Maar misschien ben ik wel die ene boom aan de overkant van het water. Tegenover de magnolia. Die nu nog kaal is, maar waar de bijna niet zichtbare knopjes al klaarzitten. Te wachten. Tot het eens stevig zal waaien. De magnolia plots weer kaal zal zijn. En dan zal ik op mijn tempo (traag dus) steeds groener kleuren. En de magnolia zal naar me opkijken en onder de indruk zijn. Én smoorverliefd. 

En vooral: nooit meer zal ik aan de kassa moeten praten met die andere ouder van de school van mijn kinderen waartegen ik begot niet weet wat gezegd. Nooit meer. 

klimmen op ideeën

In een poging hier niet meteen weer stil te vallen, deel ik dit. Nog zoiets dat ik een paar maanden geleden schreef, maar waar ik nadien niet verder mee geraakte. Ik wou eens een liedtekst schrijven en dit was mijn eerste poging. Ik had niet goed nagedacht over wat daarna en aangezien ik helemaal niet muzikaal ben, is het in die eerste fase blijven hangen. Ik kreeg het ook niet echt meer omgevormd tot een gewoon gedicht, dus ik deel het maar zo, met een soort refrein dat telkens terug komt. Ik heb geen idee hoe dit leest als je er de melodie niet bij hoort, maar kijk, die middelvinger zegt me dat ik het toch maar gewoon moet delen.

je bent best tevreden
en de plooien van de dagen 
strijken zachtjes langs je arm
je wou dit leven
en ze lachen en
hun lijfjes in je armen zijn zo warm

‘maar soms 
dan stopt
de tijd
en soms dan voel je spijt

want die koude winternachten
zachte zoenen op de tram 
en dat ongeduldig wachten
vol verlangen voor wat kwam

het was dansen zonder richting
en dan gloeien van de wijn
je kon klimmen op ideeën
en het vallen deed geen pijn’

je fietst door de jaren
de richting is helder,
de spelers staan vast
je kleurt je haren
en je wil echt niet ontkennen
dat de route je wel past 

‘maar soms 
dan stopt
de tijd
en soms dan voel je spijt

want die koude winternachten
zachte zoenen op de tram 
en dat ongeduldig wachten
vol verlangen voor wat kwam

het was dansen zonder richting
en dan gloeien van de wijn
je kon klimmen op ideeën
en het vallen deed geen pijn’

je zingt in de keuken
en de rimpels bij je ogen tonen
dat je nog vaak lacht
je wiegt met je heupen
want het dansen is gebleven
en het gloeien in de nacht

‘maar soms 
dan stopt
de tijd
en soms dan voel je spijt

want die koude winternachten
zachte zoenen op de tram 
en dat ongeduldig wachten
vol verlangen voor wat kwam

het was dansen zonder richting
en dan gloeien van de wijn
je kon klimmen op ideeën
en het vallen deed geen pijn’

eind januari

Wat is het hier al lang stil. Zo stil dat het steeds moeilijker werd om de stilte te verbreken. Dat ik steeds meer geneigd was om het hier maar zo te laten, tot iedereen dit plekje vergeten was en dan te verdwijnen.
Niet dat het stil was in mijn hoofd de voorbije maanden. Er werd gevraagd, geschreeuwd, gehuild, zoveel woorden, zoveel zinnen die om mijn aandacht riepen dat ik er gek van werd. En dus niets op papier kreeg.
Hoewel, niets is relatief. Ik schreef af en toe wat. Maar kreeg het niet af. Was niet tevreden. Vroeg me af wie daarop zat te wachten. Dacht aan wie misschien meeleest en wat die dan zou denken. Nog meer vragen en gedachten in mijn hoofd die het nog drukker maakten. En verlammend werkten.
Dus. Ik nam me daarnet iets voor. Ik ga ze hier gewoon delen. De paar teksten die ik wel op papier kreeg. Niet echt af. Niet duidelijk wat ik er mee wil. Niet zeker over wie wat erbij gaat denken. Op een slecht uur zodat niemand het zal zien verschijnen.
Ik steek even een dikke middelvinger op naar dat geschreeuw in mijn hoofd. (Oké, nee, niet echt, eerder een voorzichtige middelvinger waarna ik angstig rondkijk of iemand het gezien heeft) Ik begin vandaag met deze tekst. De rest volgt snel, voor ik me weer bedenk.

eind januari en mijn hart loopt vol

‘t was lang geleden en we stapten uit onze auto’s en knuffelden elkaar stevig, zo half op straat, dik ingepakt want het was grijs en koud en de wind was guur en we wilden niet loslaten
we wandelden en praatten onophoudelijk 
af en toe stapte zij voorop als we weer bij een modderig stuk kwamen waar we grote takken op de weg moesten gooien waarop we dan balancerend de overtocht waagden
zij nam het voortouw, aarzelde niet en ging gewoon, terwijl ik voorzichtig en onhandig achter haar aan kwam
ze riep me toe waar ik moest op letten en hoe ik verder moest en ze voelde zo sterk en veilig en ik ben haar met de jaren steeds liever gaan zien en mijn hart liep vol 

en ik haalde de kinderen van school en de dochter huilde van pure machteloosheid omdat het gewoon niet eerlijk was en haar benen stampten en armen sloegen  
ik zei dat ze boos mocht zijn maar niemand pijn doen 
dat ze in een kussen kon slaan en schreeuwen of tegen mijn handen mocht duwen en ze duwde met haar schouders en haar vuisten en haar hele lijf en ze duwde en ze duwde en de tranen liepen over haar wangen tot ze huilend neerzeeg, half in mijn armen kroop en mijn hart liep vol

ik reed naar mijn meme niet wetend of er nog iets van contact zou zijn
maar ze opende haar ogen, haar hele gezicht lichtte op, ze pakte mijn hand vast en die van mijn vader en zei dat ze me graag zag, 
ze staarde lange tijd in mijn ogen, glazig en dan weer helder en ze wist zelfs even wie ik was
ik legde mijn voorhoofd tegen dat van haar, mijn hand tegen haar wang en ze leek bijna kopjes te geven
ze sliep veel maar af en toe werd ze wakker en haar ogen lichtten telkens op, ze lachte breed en straalde zoveel liefde en genegenheid uit en mijn hart liep vol 

treuzelaar

overal schoonheid

in januari ligt het er wat minder dik op
het is niet zo uitbundig, makkelijk te missen, veel subtieler

het vraagt zoeken, wachten, ademen, treuzelen, op je passen terugkomen, anders kijken

vandaag drijft tussen wat een eindeloze reeks druilerige, troosteloze winterdagen lijkt en toch

ik heb gezocht, gewacht, geademd, getreuzeld, kwam op mijn passen terug, keek anders en vond weer zoveel schoonheid

opgelucht

als het op een dag als vandaag kan, ligt nog zoveel meer te wachten, onder een gebroken tegel, achter een muur van verdriet en tussen kapotgevroren bloemen
ik denk dat het een kwestie is van wachten, treuzelen en blijven kijken

en ik ben een eeuwige treuzelaar dus sta graag voor wie maar wil op de uitkijk

kon ik zingen

kon ik zingen
dan zong ik het zachter

piano 
speelden mijn handen de kamer in
licht
op kousevoeten

schilderen
dan aquarelde ik een zon in die grijze massa 

maar kijk mijn stem fluistert slechts woorden
die mijn handen hier dan schrijven
dus ik probeer dit:

ik schrijf het zachter 
nog zachter dan je verlangen

ik schrijf kousevoeten, vederlicht,
iemand heel stil bij de deur
een vleug en een kuch ergens naast de boekenkast
ik schrijf je thuis

ik schrijf een winterzon 
aan een strakke blauwe hemel
genoeg licht zodat de hoeken niet wak
en wat donker is niet door gaat hangen

ik schrijf het zachter 
tot het knispert, schuimt en stoomt
als een heet bad

ik kan niet zingen, 
maar hé, hier zijn woorden:
kuch, knisper, vleug en winterzon
ze fluisteren zichzelf
ze schrijven je zachter

geef ze maar weg of hou ze bij
ze waren toch nooit echt van mij

en zo voelt november

Eind november en de was puilt uit de wasmand maar als ik het wat aandruk valt het niet zo op.

Ik bak klaaskoeken hoewel ik anders nooit iets bak maar ze herinneren aan donkere winteravonden in Bissegem. Aan de kachel die brandde en mijn gloeiende oren omdat ik het binnen altijd iets te warm had. Mijn moeder die riep dat het klaar was en mijn broers en ik die aanvielen en schrokten en te wild het cacaopoeder door onze melk roerden. We moesten snel zijn anders had de ander misschien meer. Ik was ‘s morgens waarschijnlijk naar de bibliotheek geweest en had weer een nieuwe van Thea Beckman mee. En ik had buiten gespeeld tot de straatlichten brandden en mocht langer opblijven want het was zaterdag. Ik zou nog iets grappigs kijken op televisie en ‘s avonds in bed nog lezen want Thea Beckman liet je niet wachten. Niet met het nachtlampje want dan zagen mijn ouders het licht onder de deur maar onder mijn deken met de wekkerradio die net genoeg licht gaf voor telkens één zin.

Eind november en soms in het gezelschap van vage pijn. Vaag en toch zoveel tranen die tijdens het wandelen zwollen in mijn borst en sijpelden in mijn armen en ik kreeg ze niet uitgeschud. Maar bij thuiskomst zag ik ze langs het raam naar beneden druppelen en even later stromen. Dat pijn zien in zijn essentie een soort van deugd kan doen.

Eind november en de kinderen weten zich soms geen blijf. Maar na wat rond te ploffen en scherven en tranen belanden ze op onze schoot en we steken de kachel en kaarsjes aan en ze zeggen geen sorry maar geven kopjes. 

Ik zet de wasmachine aan en de wasmand lijkt nog even vol en zo voelt november. En ik heb niet de juiste uitsteekvorm maar wel iets wat op een paard lijkt en een hart en mijn oren gloeien als ik de koeken uit de oven haal.