verslag van de zwoele, zweterige nacht van 17 op 18 juni 2021
1:00 Ik lig nog wakker. Het is warm, het dakraam staat open, mijn gedachten malen en ik zit met een irritant liedje van Bart Peeters in mijn hoofd.
3:45 Ik ben blijkbaar in slaap gevallen want word wakker van een lichtflits gevolgd door een luide donderslag. Even later stromen de liters met veel kabaal uit de lucht. De man slaapt en snurkt zacht. Ik hoor boven het geraas van de regenstorm enkele merels fluiten. Ik probeer dat te begrijpen. Vooreerst is het nog midden in de nacht. Waar zijn hun merelouders om hen daarop te wijzen? Dat ze nog even moeten slapen want dat ze morgen anders de hele dag slechtgezind gaan zijn. Maar ook, waarom? Hoe gaat dat dan? Een tweetal merels, wakker geschrokken door de donder, zitten op een tak zo dicht mogelijk bij de boomstam zodat ze niet al te nat worden. Kopje wat ingetrokken. Zegt de ene merel tegen de andere: “Zedd’ oek wakker Juul?” “Ja Merel, en ik zen een bitsje bang aigelijk faitelijk.” “Awel, ik zen ook nie ielemoal oep moan gemák.” “k ‘em een idee! Kende da lieke van Saamsong en Gert?” “Dad’ien van samen oep de motto bedoelde?” “Nieje, zotteke, van as ge bààng èt in den doenkere moete floate” “Ahja? Serieus? Da’s oek ‘t ieste da’k er van oer. Awel, dan goan we dadis doeng zeiker? Mor god’ ongs moeder der nie ambetaant van worre?” “Nieje, die eed’eur oordoppen in en z’eed een sloppilleke gepakt omdadet zoe warrem is.” “Allé, ‘t is goe. Beginde gaai, ‘k zallekik wel invalle.” En zo geschiedde.
4:00 Twee warme handjes op mijn buik plots en ik verschiet mij een ongeluk. Ze zal ‘s ochtends grinnikend vertellen dat ik wel een kilometer omhoog vloog. Ze kruipt bij mij, krult haar blote, plakkerige lijfje tegen het mijne. Dat ze een beetje bang is van dat lawaai. Ik stel haar gerust dat het maar regen is. Heel veel regen. Vraag haar of ze de vogels ook kan horen. Ik deel mijn theorie over Juul en Merel. We giechelen en knuffelen wat. Hoe heerlijk dit ook is, ik weet dat zolang zij hier bij mij ligt, ik geen oog dicht ga doen en ik moet morgen een beetje fris zijn op het werk. Dus ik breng haar terug naar haar kamer en laat haar achter met haar koalabeer Koewala (die we eerst hebben gerustgesteld dat het geluid enkel regen is) in haar armen geklemd.
4:20 Juul en Merel zijn stil, waarschijnlijk heeft er eindelijk iemand van de merelgemeenschap zijn verantwoordelijkheid genomen en ingegrepen. Ik denk aan mijn dochtertje alleen in haar bed en voel me een beetje schuldig. Herinner me hoe vreselijk ik het zelf vond als kind om alleen en bang in bed te liggen.
4:23 Het zoontje roept plots luid dat hij melk wil drinken. En als er na enkele seconden nog geen reactie komt, nog wat luider zodat zijn zus het zéker ook zou horen: “IIIIK WIIIIL MELLEK DRIIINKEN!!” Dus moeder regelt melk.
4:37. ‘Je merkt het aan de mussen, dat de lente lonkt’
Ik zucht en beeld me Bart Peeters aan het spit in. Het nummer was eerst best leuk, tot mijn man het iets te vaak draaide en het in mijn hoofd verzeilde. Da’s altijd problematisch want dat is daar zo’n labyrint dat zo’n liedje zeer moeilijk de weg naar buiten weer vindt. Zelfs het fantastische ‘All delighted people” van Sufjan Stevens heb ik eens vervloekt toen het me voor de zoveelste nacht op een rij gezelschap hield.
4:40 Ik voel me net wegglijden als de haan enkele tuinen verder enthousiast begint te kraaien. Er is gelukkig nog wat plaats op het spit bij Bart Peeters.
4:50 Op de nok van het dak begint een duif vol overgave te koeren. Het klinkt alsof ze naast me op bed zit en echt waar, hoe enthousiast kan je zijn over je eigen irritante gekoer? Ik laat Bart Peeters en de haan voor wat ze zijn en mijn fantasieën verplaatsen zich nu naar manieren om die duif het zwijgen op te leggen.
5:10 Ze roept: PAPAAAAA! En ik wil haar wens uiteraard respecteren en dus schud ik de man wakker. Even later komt hij zuchtend terug naast me liggen. Ze wou al opstaan.
5:25 De krant wordt rondgebracht in onze straat. Met een brommer die komt aangesnord, stopt bij een huis, weer optrekt, weer stopt, optrekt, stopt, optrekt, stopt, optrHOEVEEL MENSEN IN DEZE STRAAT LEZEN ER HIER VERDORIE NOG DE KRANT?!
5:50 Ze roept nog eens en mijn sympathieke echtgenoot hijst zich alweer uit zijn bed.
6:15 Ze roepen nu allebei. Hij overtuigt hen dat het nog te vroeg is en dat ze nog wat moeten slapen.
6:35 Alweer in koor. De man en ik kijken elkaar aan. “Weg ermee.” zeg ik. “Ja, we doen ze weg”, mompelt hij. We roepen dat ze haar broer uit zijn bed mag helpen en dat ze alvast naar beneden mogen gaan. We horen haar zijn kamer binnen gaan, hem liefdevol toespreken, of hij lekker geslapen heeft en of ze zijn slaapzakje moet uitdoen? Daarna stommelen ze samen de trap af. We zijn toch weer een beetje vertederd ook al willen we niet. ’t Is sterker dan onszelf.
6:45 Ik haal de krant uit de brievenbus.
Vind-ik-leuk Aan het laden...