
wat strelen en wat pijn


De dag begon zo mooi. Ik haalde hem uit zijn bedje en vertelde dat hij jarig was, eindelijk! Hij glunderde. We kwamen de trap af, hij staarde naar de vlaggetjes en de ballonnen, zag de man en zei trots: “Tobe nú jarig papa!” Toen zag hij zijn stoel en dat daar cadeautjes lagen. “Cadeautjes!” De deur ging open, hij draaide zich om en zag zijn zus binnen komen, met ogen vol liefde en spanning. Hij riep: “Miraaaa!”, wist zich met al zijn genot en enthousiasme geen blijf dus rende op haar af, en sprong, letterlijk, in haar armen. Gelukkig hield ze stand, want veel groter is ze niet. Daar stonden ze, hun armpjes rond mekaar, zijn beentjes rond de hare geklemd. Ik kon wel janken, zo schoon was dat. De rest van de dag maakte eigenlijk niet veel meer uit, dit was het perfecte beeld en ik hoop het voor altijd vast te houden.
De rest van de dag was natuurlijk genieten. Wat een weer! Hij vroeg met zijn allerhoogste stemmetje: “Tobe euhm voor zijn verjaardag in zijn blote poep eten?” Hij houdt er van als zijn billen dan aan zijn stoel plakken, dus dat mocht. Ze speelden daarna met de “alsoffe” taart en de “alsoffe” koffiebekertjes en de “alsoffe” donuts. Daarna las zij zijn nieuwe boekje van Nijntje voor en oma belde. Er werd voor hem gezongen door meerdere buren (
) en zijn tong hing uit zijn mond van verlegenheid en genot.
Ik haalde taart terwijl hij even bij zijn beste vriendje/overbuurjongen mocht spelen en we reden daarna naar de lieve vriendin met de heerlijke tuin en de mooie dochters. Ze had een picknick voorzien en overal ballonnen gehangen en ook nog een boekje cadeau gedaan. Het geluk kon niet op. Hij had al weken gevraagd of hij taart mocht eten als hij jarig was, dus dat stond ook op het programma. En smaken dat het deed. Hij blies 1 kaarsje uit, zijn zus de andere 2 en dat is echt hoe die twee in het leven staan. Hij probeert alles een beetje en zij komt hem dan gretig redden of helpen of troosten. Prachtig.
Toen we ‘s avonds weer thuiskwamen, kreeg hij nog een cadeautje van zijn vroegere allerliefste onthaalmoeder die ook een buurvrouw is en druifjes van nog een andere en een tekening van een buurjongetje. Om maar te zeggen dat wij hier echt in de allerbeste straat wonen.
Hij ligt nu helemaal tevreden en voldaan in zijn bedje. Bij de dochter is een verjaardag altijd een beetje té spannend met iets teveel prikkels en de nodige portie ontlading nadien, dus ik heb een kind nog nooit zó puur zien genieten als hij vandaag. Hij is 3 maar beweert zelf 4 te zijn en steekt dan trots 5 vingers op. Hij is naar het schijnt groot aan het worden maar ik weet wel beter. Want hij is mijn baby die 3 jaar geleden kabbelend ter wereld kwam en mijn hart al 3 jaar vult met liefde en eindeloos veel knuffels.
En straks als ik in mijn bed lig, ga ik dat beeld voor me zien. Hij deze morgen, zo blij dat hij spontaan in de armen van zijn zus sprong. Zij die hem stevig vasthield, liefdevol haar gezicht tegen het zijne wreef en dan die trotse blik naar ons. En wij die half wegsmolten.

Het begon met een paar verdwaalde bolletjes piepschuim die ze in de voortuin vond. En de dag daarna op school. En diezelfde avond in onze badkamer.
De conclusie was simpel. Iemand liet sporen na. Hij werd de piepschuimdief gedoopt. Wat hij precies wou stelen was niet duidelijk, maar het was geen piepschuim. Neen, het piepschuim, dat waren slordigheden. Fouten die hij maakte, waardoor ze hem op het spoor was gekomen. Want ze maken uiteindelijk allemaal fouten.
Ze maakte gisteren een machine. Satéstokjes in het rooster van de chauffage naast het toilet. 3 hendels waren dat. De linkse hendel was om hem flauw te doen, de middelste om hem dood te maken en de rechtse om hem terug bij bewustzijn/levend te toveren. “Oké mama, wat wil je? Moet de piepschuimdief flauw of dood?” Ik zei dat ik er persoonlijk weinig voor voelde iemand dood te maken, dus koos dan maar flauw. Ze zuchtte eens en rolde een beetje met haar ogen. Dat moederke lief van haar toch. Maar allé, ‘t was goed, ze had tenslotte zelf gezegd dat ik mocht kiezen. “Zo! Nu is de piepschuimdief flauw. Dat komt ervan!”
En toen ik enkele tellen later de badkamer uitliep hoorde ik nog: “TSJAKAA. En nu DOOD! HAHAHAHAHA!”
Vandaag kwam ze met het opgerolde kasticketje van de Jumbo aangelopen. “Mama, je gaat dit nooit geloven. Dit is echt ongelooflijk. Dit is nog nooit gebeurd. Dit is de eerste keer ooit. Hier ben ik echt niet goed van. Dit moet een nachtmerrie zijn.” (Ondertussen zag ik de fantasievonkjes bijna uit haar oren komen, haar hersentjes druk aan het werk om een vervolg te verzinnen.) “Dit is een brief van de piepschuimdief. Ik heb die gevonden. De piepschuimdief heeft een machine gemaakt. Die staat in de Ikea. Een machine met één oog. Die ziet alles. En gaat alle mensen vernietigen! Maar gelukkig heb ik deze brief hier gevonden. Wacht even!” Ze rende naar één van haar geheime zakjes. Haalde er een beschilderde dennenappel uit. “Hier mama! Onderzoek jij die even?” En 10 seconden later. “Heb je al iets ontdekt mama?”
De ontdekkingen die ik had gedaan bleken niet spannend of origineel genoeg, dus ze nam het maar weer van mij over. Had intussen nog een tweede brief onderschept, waaruit bleek dat die machine niet alleen in de Ikea maar in ALLE winkels stond! En dat ze tijd had tot overmorgen om het op te lossen.
Kijk, ik wil jullie niet bang maken. We zijn er mee bezig en de dochter kennende, zal ze niet opgeven voor ze de schurk onschadelijk heeft gemaakt. De machine in de badkamer kan ze daar helaas niet meer voor gebruiken want die heeft het zoontje afgebroken toen hij alleen wou zijn om kaka te doen. Dat zijn van die tegenslagen waar deze heldin dagelijks mee geconfronteerd wordt. Maar ze geeft niet op, ‘t is een doorzetter, geen paniek dus (voorlopig). Het komt waarschijnlijk goed!
In tussentijd stel ik het volgende voor, ter bescherming van ons allen:
Probeer zoveel mogelijk thuis te blijven. Als je buiten komt, doe dat met maximum 4 mensen anders word je al snel een gemakkelijk doelwit voor de piepschuimdief. Draag maskers indien mogelijk, zo word je minder snel herkend. Moet je per se naar een winkel die niet eens essentiële middelen verkoopt, en is die winkel in het allerslechtste geval de Ikea? Ga dan alleen en bel even op voorhand, om te horen of de machine gelokaliseerd werd en hoe druk het daar is. En onthou: alleen als we samen werken kunnen we de mensheid redden! En vergeet niet, er is hier een kleine heldin druk in de weer om deze missie tot een goed einde te brengen. Want zij waakt over ons!


Ik heb je maar anderhalf jaar gekend. Wat is dat in een mensenleven?
Ik ging in Antwerpen studeren en kende daar werkelijk niemand. Jou kende ik een beetje, we hadden 2 gemeenschappelijke vriendinnen die er hadden op aangedrongen dat we elkaar écht moesten leren kennen.
Ik herinner het me nog, mijn tweede avond in Antwerpen. Ik zou naar jouw kot komen in Wilrijk en we zouden samen eten. Mijn huidige schoonzus, die ik toen nog nooit ontmoet had en die “gewoon een vriendin” was van mijn broer, had me toegevoegd op msn. Iemand die Antwerpen kende en me wat op weg kon helpen als het nodig was. Ik vroeg haar welke bus ik kon nemen naar Wilrijk en ze raadde me aan naar de Rooseveltplaats te gaan en daar gewoon te zoeken naar een bus met Wilrijk op het scherm.
Ik vind het achteraf bekeken absurd dat dit de enige voorbereiding was die ik trof, in een stad die ik verder van haar noch pluim kende. Ik was zenuwachtig en ging de verschillende bussen af tot ik een bus vond die aan de beschrijving voldeed. Ik stapte op, vroeg de chauffeur of hij stopte aan “de Bist”, hij knikte nauwelijks waarneembaar en ik ging zitten. En wachtte. Het duurde een eeuwigheid voor de bus vertrok. Toen dat uiteindelijk gebeurde (ik had jou een enthousiaste sms gestuurd dat ik ein-de-lijk vertrokken was) bleek hij een enorme omweg te maken en de Bist was één van de laatste haltes. En jij maar wachten aan die bushalte. Maar ik geraakte er en we hadden een super gezellige avond. We aten de licht aangebrande en tegelijk nog wat rauwe cordon-bleus die je had proberen te bakken. Wat waren we nog groentjes wat het kotleven betrof. We lachten en praatten honderduit. Daar bleken we allebei goed in te zijn.
Ik herinner me dat nadien terug thuis geraken ook geen sinecure bleek. Ik zat nu op een bus die rechtstreeks naar Antwerpen reed. Ik wist dat ik er af moest aan het Centraal Station dus bleef maar wachten en uit het raam kijken tot dat prachtige gebouw zou opdoemen. Maar de tijd verstreek en er was geen station te zien. Toen ik uiteindelijk alle moed bijeenraapte en de chauffeur ging vragen of we er bijna waren, bleken we er al lang voorbij. Door werken nam de bus een andere route, uiteraard. Toen ik de chauffeur met dichtgeknepen stem vroeg wat ik nu moest doen, stuurde hij me geërgerd van zijn bus en wees naar de overkant van de straat, waar straks de bus zou komen die terug richting het station ging. Ik stond daar, het was donker en ik had geen flauw idee waar ik was. Ik slikte mijn tranen weg. De juiste bus kwam, de chauffeur bleek zelfs vriendelijk te zijn deze keer, wist me te zeggen waar ik moest afstappen en zei nog dat ik de groetjes moest doen “in Hent”. Ik rende bijna de hele weg naar huis, want de schoonzusdietoenmijnschoonzusnognietwas had gezegd dat ik in het donker beter niet alleen op straat kon komen. Buiten adem kwam ik mijn kot binnen, zakte op de grond en huilde. Ik stuurde dat ik eindelijk thuis was en jij stuurde van hallelluja en dat het zo’n fijne avond was geweest. Memorabel was het in ieder geval wel.
Het anderhalf jaar dat volgde werden we goeie vriendinnen en Antwerpen onze thuis. Onze levens waren interessant, wervelend met af en toe de nodige portie drama. Uiteraard. Er was vanaf die eerste avond een vertrouwdheid waardoor we bijna meteen konden delen wat er écht toe deed. En dat was uiteraard de liefde, wat anders? Anderhalf jaar heb ik genoten van onze vriendschap die snel hecht werd. Je maakte de gekste dingen mee en de manier waarop je dat nadien met de nodige zelfrelativering kon vertellen was puur genieten. Je stond gretig in het leven, vol vertrouwen ook.
Je zat vol plannen en dromen, zag toen al scherp wie je was en wilde zijn, wat je kon en hoe je je dromen concreet zou maken. Ik was minder van het concreet en van het plannen, meer van het dromen, denken, aarzelen en voelen. Een goeie match dus.
Zo was het ook met de god waar we toen beiden nog in geloofden. Het was toen al duidelijk dat jij daar standvastiger in was dan ik. Mijn worsteling en twijfels, je hoorde ze begripvol aan maar herkende ze niet echt. Wat zou je zeggen als je zou horen dat ik ondertussen al jaren niet meer hoef te twijfelen? Zou je blij kunnen zijn dat erkennen dat ik niet meer geloofde, me zoveel rust heeft gebracht? Ik hoop het. Zou je zelf nog even standvastig geloven? Ik denk het.
En toen, op 22 maart 2008, sloeg het nieuws in als een bom. Daar in Zambia, die put in de weg. Je was er niet meer. Ik was in Oostenrijk op dat moment. Het was Pasen. Het sneeuwde zomaar, als wit zacht verdriet. Ik weet nog dat ik geen lucht kreeg en een wildvreemde man me in zijn armen nam. Ik kon niet meer ophouden met huilen. Ik herinner me een vreselijke hoofdpijn van al dat huilen en hoe iemand “you look like a frog” tegen me zei. Ik heb zolang gewacht tot je terug zou komen. Tot ik wakker zou worden uit deze vreselijke nachtmerrie. Het heeft lang geduurd voor ik kon loslaten. Me erbij neerleggen dat ik mijn worstelingen en twijfels nooit meer met je zou kunnen delen. Dat jouw avonturen voorgoed voorbij waren. Ik las en herlas de ellenlange mails die we tijdens de examens naar elkaar hadden gestuurd. De maanden en jaren daarna waren voor mij turbulenter en onrustiger dan ooit. Het besef dat het nog eens kon gebeuren, plots, zonder waarschuwing. Iemand die ik liefhad die er ineens niet meer zou zijn. En dat onomkeerbaar was.
Ik heb je maar anderhalf jaar gekend. Wat is dat in een mensenleven?
Maar het was voor mij zo bijzonder. Dat jij er vanaf die tweede avond in de toen nog erg intimiderende stad was. Wat ben ik blij dat ik je mocht kennen. Wat zou ik er veel voor geven je nu nog in mijn leven te hebben. Jij als bijna 33-jarige. Inspirerend, wervelend, betrokken en geliefd. Ongetwijfeld.
Ik voelde het de voorbije dagen weer, zoals elk jaar rond deze periode. De angst, de onrust. Het besef van de kwetsbaarheid, de vergankelijkheid, de eindigheid van de levens van wie ik liefheb. Ik zat met mijn dochter op schoot, kuste haar wang, wiegde haar en streelde haar haren. Zag mijn zoontje voorbij draven, druk in de weer met lepeltjes en bordjes in zijn imaginaire wereldje. En ik bedacht dat het nu niet zo lang meer zal duren voor ik hen over jou kan vertellen. En dat ze misschien later ook zo kunnen wervelen en inspireren, dromen én doen. Net als jij.

psst,
kom
kom eens hier
ja, hier bij mij
onder mijn arm is nog wat plaats
kom maar
ik zit hier
in dit hoekje
naast de kast
onder die plank
zie je?
zullen we hier even samen zitten?
en
deze onvoorspelbare
veranderlijke
wereld
die vandaag weer
veel te ver uitdijt
vergeten
zullen we gewoon voelen?
elkaars warmte
de troostende begrenzing van
die muur aan de ene
de kast aan de andere kant
en dan die geur van hout
de plank die iets te laag
waardoor we net niet
comfortabel zitten
zullen we gewoon even voelen?
deze te krappe ruimte en hoe
die gewoon is en wij
hier zijn
jij, mijn lief kind
en ik
zullen we rustig worden
ademen
ver weg van
de gevaarlijk uitdijende wereld
zullen we voelen?
grond onder onze voeten
jouw warme hand in de mijne
je lijf onder mijn arm
tot onze harten weer rustig kloppen
iets te warm wellicht
mijn nek pijnlijk
jouw knieën zeuren
en zullen we dan toch
nog wat langer
blijven zitten?
zullen we?
het is daar op haar bed
dat geurt naar
sluimerende slaap
bloemen
en wat vage restjes modder
in het vers krakende donker
terwijl haar ademhaling nog gejaagd
ze af en toe schrikt, kreunt,
haar hand omhoog vliegt
als een duiveltje-uit-een-doos
ze ‘ik wil niet slapen!’ roept
in haar slaap
het is daar aan haar voeten
dat de drukte van de dag
nog wat naschokt
in haar lijf
ze vertraagt
en ook mijn haasten en zuchten
mijn zenuwen en vluchten
uiteindelijk
lang genoeg genegeerd
afdruipen
wegglippen
via de kier onder de deur
want het is stil geworden
het is daar in die stilte
aan haar voeten
op het bed
dat ik luister naar niets
en de woorden in mijn hoofd
dan pas
schuw
tevoorschijn komen
zichtbaar worden
zich ordenen
het is dan als ik
op het bed van mijn
slapende dochter zit
dat gedichten ontstaan
zoals nu, ineens,
dit
ik was vergeten
hoe simpel troosten
toen was
want jij
nog niet bewust van jij
was gewoon wij
pijn was onze pijn
ík moest niets doen
behalve zijn
dragen wiegen zingen
ik wiegde niet jou
maar Ons
jíj had niets van míj nodig
want wist nog niet dat er
een jij en een mij
was
dat is vandaag anders
je wringt
weet je met je lijf
geen blijf
je wil dat ik het oplos
je wil niet los
aan mij, terug in mij
niet meer voelen dat pijn
alleen jouw pijn is
dat dragen wiegen zingen
van die ander komt
maar een moederlijf
lost op
want jij wringt en ik wring
je kreunt en de pijn
trekt door míjn lijf
dus hang vandaag
maar dicht
je hoeft nog niet los
ík vang je pijn wel
die nooit
alleen jouw pijn
zal zijn


Een ritueel uit mijn absolute top-10! Ik kan een hele dag uitkijken naar dat moment.
Voor hij gaat slapen, mag hij kiezen, een paar liedjes uit het boek van de “Bakkebein”.
Dat ventje zit daar dan, in zijn slaapzak met zijn knuffel naast hem.
Eén en al tevredenheid.
Het boek op zijn schoot, de tut in zijn mond. Zijn vingertje zweeft boven de foto’s.
Blijft af en toe ergens hangen maar dan bedenkt hij zich, schudt zijn hoofdje en zoekt verder.
Hij zuigt geconcentreerd op zijn tut.
Zijn ogen schieten over de foto’s, houden halt, keren een rij terug, gaan weer verder.
Het genot spat eraf. Hij heeft hier de controle. Hij mag dit helemaal zelf kiezen.
Hij rekt dat kiezen en dat twijfelen dan ook heerlijk lang. Dit is zijn momentje.
En ik zit daar en kijk naar hem. Voel belachelijk veel liefde.
En dan ineens weet hij het.
Het vingertje gaat resoluut naar een foto, we zoeken de juiste pagina en ik zing zacht terwijl hij de foto nu in het groot bestudeert.
Daarna mag hij een nieuw liedje kiezen en kan het zoeken en twijfelen weer beginnen.
Hij geniet, ik geniet en ik wil dit met hem doen, voor eeuwig en altijd.
Of toch zeker tot ik 93 ben. Daarna wordt het misschien een beetje raar.