Lientje was een week daarvoor 6 jaar geworden. Haar tante – waar Lientje soms schrik van had omdat zij veel tandvlees en weinig tanden toonde wanneer zij lachte – wilde haar graag meenemen naar het circus. Ze vond het zielig dat Lientjes broer zoveel ouder was en ze dus nooit broertjes of zusjes had om mee te spelen. Lientje zette haar angst opzij, want teveel tandvlees of niet, zo’n circus wilde ze toch absoluut niet missen.
Met grote ogen en open mond wandelde Lientje aan tantes hand de reusachtige tent binnen. Ze gingen halverwege op een gammel bankje zitten en Lientje mocht op tantes schoot want voor haar zat een grote, dikke man met een tattoo van een slang in zijn nek. Lientje wou liever echte slangen zien. Tante en de man bleken elkaar te kennen en de man leunde achterover om met tante te praten. Lientje werd een beetje bang toen de man bulderend begon te lachen waardoor de slang op zijn nek tot leven leek te komen. Ze drukte haar hoofd tegen tantes schouder maar ook tante begon te giechelen waarbij Lientje al dat tandvlees vlak voor haar gezicht zag verschijnen en weer verdwijnen. Lientje kon geen kant uit. Gelukkig werd het toen ineens stil en donker in de zaal. Er kwam een klein mannetje met een krulsnor naar het midden van de tent gewandeld. Oh, wat ze toen allemaal te zien kreeg! Veel mensen, allemaal in gekke pakjes; de ene slingerde aan een touw door de tent, de andere haalde konijnen uit zijn hoed en broekspijpen en de clowns waren veel grappiger dan nonkel Rudy. Wat genoot Lientje, ze was de slang en tantes tandvlees op slag vergeten.
En toen kwam de laatste act, het was iets met een reusachtig monster met klauwen en scherpe tanden, dat zei de man met de gekke snor. Een beetje angstig keek Lientje naar tante, maar die zat dromerig naar de slangenman voor haar te staren. Lientje werd al snel gerustgesteld toen het om een gewone leeuw in een kooi bleek te gaan. Leeuwen had ze al zo vaak gezien: in haar kleurboek, in de zoo en op televisie. Neen, van een leeuw was Lientje niet bang. Maar toen trok iets anders haar aandacht. De man met de zweep die naast de kooi stond, dat was de leeuwentemmer. Lientje keek verstomd naar de man: wat was hij mooi! Hij leek een beetje op haar grote broer Karel, maar zijn gezicht was veel bruiner. Hij droeg de mooiste paarse broek die Lientje ooit gezien had. En als hij lachte, oh wat werd ze daar blij van, zijn hele gezicht lachte mee, zijn tanden waren mooi wit en blonken en ze voelde zijn ogen stralen tot bij haar bankje halverwege de tent. Lientje giechelde van plezier en trappelde met haar voeten tegen tantes benen van opwinding. Maar zelfs dat merkte tante niet, haar gedachten waren helemaal bij de man met de slang, die het ook niet kon laten af en toe achter zich te kijken.
De leeuwentemmer zei iets in een taal die zij niet begreep, en de kleine meneer riep dat er iemand uit het publiek tot bij de leeuwentemmer mocht komen. Iemand die moedig en sterk was. Lientje wist dat dit alles was wat ze wilde, ze wilde dicht bij de leeuwentemmer zijn en dan moest hij nog eens lachen zoals daarnet. Ze strekte zich helemaal uit op tantes schoot en stak haar vinger zo ver mogelijk in de lucht. Ze gilde: ‘Iiiiik!’ Ach, niemand die haar opmerkte. Een grote man werd uitgekozen en die moest eigenlijk alleen maar de deur van de kooi openhouden. De leeuwentemmer zelf, met zijn prachtige broek, kroop in de kooi en na wat tromgeroffel hield hij zijn hoofd tussen de tanden in de wijd opengesperde bek van de leeuw. Het publiek hield zijn adem in, maar Lientje vond er maar niets aan. Leeuwen waren lieve dieren, dat wist ze van haar prentenboek en van de film ‘De Leeuwenkoning’. De show was nu bijna gedaan maar Lientje lette niet meer op. Ze was boos en moest vechten om haar tranen tegen te houden. Waarom had de leeuwentemmer haar er niet uitgekozen? Hij had haar vast niet gezien door de slangenman die voor haar zat. Als hij haar wel gezien zou hebben, had hij haar zeker naar voren geroepen! Die gedachte troostte haar en ze besloot zelf te zorgen dat ze de leeuwentemmer nog eens van dicht zou zien.
Toen de show voorbij was en iedereen zich klaar maakte om te vertrekken, glipte Lientje van tantes schoot en rende helemaal naar voor. Tante merkte het niet eens, die was weer met de man aan het praten en beiden lachten te luid. Er was niemand meer te zien op de plaats waar de leeuwenkooi had gestaan. De man met de snor was als laatste tussen de tentzeilen verdwenen, en voor hem de leeuwentemmer. Lientje wist dus waar ze naartoe moest. Ze kroop tussen de tentzeilen en kwam in een kleinere tent terecht waar ze zag hoe de artiesten zich uitkleedden, hun schmink afveegden en hun spullen bijeen zochten. Ze zagen er plots allemaal zo gewoon uit. Behalve de leeuwentemmer: plots zag ze hem staan. Hij droeg nog steeds zijn zachte paarse broek en stond in zijn eentje een knoop aan zijn jasje te naaien. Hij zag er prachtig uit. Niemand had haar tot nu toe opgemerkt dus ze kon ongestoord naar hem toe rennen. Ze tikte op zijn arm en keek vol verwachting naar boven. Verbaasd keek hij haar aan. ‘Ik wil met jou trouwen!’ zei ze heel dapper. Vragend maar vriendelijk fronste hij zijn wenkbrauwen: ‘Qué?’ Hij boog zich voorover, Lientje kon hem ruiken. Hij rook lekker naar appeltjes, naar de shampoo die Karel ook gebruikte. ‘Je ruikt zoals mijn grote broer. Hij geeft les op mijn school, volgend jaar is hij mijn meester!’ De man lachte niet-begrijpend. Lientje zag hem nu toch van dichtbij lachen, wat was hij mooi. Ze zou met deze man trouwen, dat had ze geweten van het eerste moment dat ze hem zag.
Op dat moment kwam haar tante de kleine tent binnengestormd. ‘Hier ben je! Wat ben je toch een onmogelijk kind, zomaar wegsluipen terwijl ik even met die vriendelijk man aan het praten was. Excuseert u me meneer! Hopelijk viel ze u niet lastig?’ Ze wachtte geen antwoord af, greep Lientje bij de arm en trok haar terug naar de grote tent die ondertussen helemaal leeggelopen was. Lientje zag nog even hoe de leeuwentemmer lachte en zwaaide en toen niets meer. Tante mopperde nog na: ‘En ik had nog wel zo’n fijn gesprek met Bruno, nu is hij natuurlijk al naar huis gegaan.’ De hele terugrit huilde Lientje, ze stikte bijna in haar tranen. Wat had zij een verdriet. Tante, die zich nu wel wat schuldig voelde, troostte haar en beloofde dat ze volgend jaar terug zouden gaan. Lientje droomde het hele jaar van haar leeuwentemmer, ze tekende hem wel honderd keer en telde af tot haar 7de verjaardag.
…
De leeuwentemmer was een kleine, bleke man met putten in zijn wangen en een dikke neus. Zijn broek was groen en lelijk en hij keek met opengesperde ogen het publiek in. Geen enkele keer lachte hij en Lientje stak haar vinger niet op. Ze wist dat ze haar leeuwentemmer nooit meer terug zou zien.
Later, toen ze ouder was, werd ze nog vele malen verliefd. Halsoverkop. En ze had nog vaak liefdesverdriet. Maar nooit meer was het zoals die allereerste keer met de leeuwentemmer. Haar leeuwentemmer die naar appeltjes rook.
verzonnen op ’t toilet
over het einde ben ik niet tevreden
LikeLike
🙂
Het schijnt dat kuiltjes in de wangen mooi kan zijn.
LikeLike
Putten, geen kuiltjes 😉
Meerdere putten! Gelijk Johan Verminnen
LikeLike
Halsoverkop…dat wil ik ook nog eens meemaken 😉
LikeLike
Ik heb ook putten, als je wil…
‘Ze tekende hem wel honderd keer’
Het zit in zulke stukjes, een mooi verhaaltje. Ik ga er vast van dromen nu.
LikeLike
Mooi.
LikeLike
heel mooi 🙂
LikeLike
Wat gebeurde er met de tante en de slangenman?
Ik vind het weer prachtig!
LikeLike