voor de blonde vrouw en de melkboerin

Ik rijd door de stad naar mijn werk. Ik zie mensen naar me kijken en vraag me af wat ze zien. Wat ze denken.

Misschien kijken ze naar mijn fiets, die is nogal opvallend en niet helemaal mijn smaak, maar dat kon me niet zoveel schelen toen ik hem kocht. Ik moest toen gewoon een fiets hebben. Ik was hoogzwanger van kind 2 en was enkele dagen daarvoor naar een feestje gegaan. Toen ik ‘s nachts terug naar huis wilde vertrekken, bleek dat iemand mijn goeie, snelle, trekkingfiets had gestolen. Ik was furieus. Ik moest te voet naar huis wandggelen, gelukkig was het niet al te ver. Ik voelde me persoonlijk beledigd. Iemand had een fiets gestolen van een hoogzwangere vrouw! Wie doet nu zoiets? Het lef! Krapul was het! Klwotzak, dwoazn ul, ziekn ond, …! (als ik boos ben speelt mijn West-Vlaams een beetje op en ja, ik ging er blijkbaar vanuit dat het een man was) 

Toen mijn man me er de volgende dag op wees dat de dader niets wist van mijn toestand (en dat hem ook geen hol kon schelen – maar dat gedeelte negeerde ik), beeldde ik me zijn schuldgevoel in als iemand hem daarmee zou confronteren. Hij zou mij dan voor zich zien, zuchtend en steunend op die ellendige brug in het holst van de nacht, met tranen in mijn ogen, het geloof in de mensheid kwijt. Hij zou, geteisterd door schuld, mijn fiets terugbrengen. Me een voetmassage geven. En tijdens het masseren luid huilend (met een beetje snot) opbiechten wat hij nog allemaal gestolen had en vertellen dat hij vanaf nu zijn leven zou beteren. Terloops nog opmerken dat ik, zelfs hoogzwanger, een bloedmooie vrouw was en me wat koelte toewuiven. Ik zou bijna compassie krijgen.

Nu mijn verontwaardiging was omgevormd naar een bizarre vorm van medelijden kon ik op zoek naar een nieuwe fiets. En graag voor de baby er was. Het moest zo’n mamafiets worden. Met ruimte voor een zitje vooraan en achteraan. We vonden iets tweedehands. Met roze velgen, “Lief!” er op geprint, roze bloemetjes overal, een grote bel met nóg bloemetjes en een mandje vooraan. Zo’n fiets voor een blonde, creatieve, Nederlandse vrouw met gebloemde jurk, tonnen energie en een stralende lach, wiens huis smaakvol ingericht en altijd netjes opgeruimd is. Met rood gelakte teennagels. Ik ben ook een vrouw en daar houdt de vergelijking op. 

Maar het was een goed merk, de fiets zo goed als nieuw en de prijs zeer schappelijk. Dus we kochten hem en nu rijd ik daar dus al meer dan 3 jaar mee rond in de stad. Ik zie mensen naar mij kijken en wil soms verdedigend roepen: “‘t was tweedehands, en echt een hele goeie, en ik had zoiets nodig en verder is het echt niet mijn smaak!” En soms glimlach ik breed en kijk met zo’n blik alsof ik blond en Nederlandse ben en mijn hoofd bruist van de creativiteit. 

Of misschien kijken ze naar mijn lange kleed. Ik vind het zelf erg mooi en ben blij dat het tot op mijn enkels komt. Ik las gisteren hoe een vrouw meteen lastig gevallen werd toen ze met wat meer bloot op straat kwam en de mensheid dat blijkbaar niet goed aankon. Dat is vast om onnozel van te worden, maar ik kan daar zelf niet echt van meespreken. En ik vind dat niet gek. Ik vind mezelf niet per se mooier worden naarmate ik minder kleren draag. Mijn bovenarmen zijn niet bepaald rank te noemen. En mijn blote benen passen het best in modderige laarzen op een erf ergens, met gebloemde rok (weeral die bloemen) en een emmer verse melk in de hand. (Maar ik weet het. Dit is mijn lijf. Dit is wat ik heb en ik moet er nog een hele tijd mee rondlopen. Ik kan het maar beter aanvaarden en graag zien. Mijn man geloven die me zeer overtuigd wél mooier vindt naarmate ik minder kleren draag bijvoorbeeld.) 

Ik heb mijn gezicht altijd mijn beste troef gevonden. En dat moet ik nu al meer dan een jaar voor de helft bedekken. Maar als ik voor de klas sta, zet ik mijn mondmasker soms even af om bijvoorbeeld nieuwe woordenschat aan te leren. Ik beeld me dan in dat ik verbazing en bewondering in de ogen van mijn cursisten zie. Dat ze denken: “waauw, haar gezicht is echt haar beste troef!” Maar ik weet dat ze vooral schrikken. Want dat doe ik ook als een cursist even zijn/haar mondmasker afzet om iets te eten of te drinken. Niet omdat wat achter dat mondmasker zit niet mooi is. Nee, maar het is nooit wat ik had verwacht te zien. Mijn hersenen hebben blijkbaar het gezicht aangevuld op basis van wat wel zichtbaar is, onbewust, en dat strookt nooit met de werkelijkheid. Dus eerst schrik ik, alsof er in een vingerknip iemand anders op die stoel zit. En als ik dan wat langer kijk en het volledige gezicht in me opneem, vind ik het altijd ontroerend mooi. Zo echt, zo lief en kwetsbaar. Misschien is dat wel het effect op iedereen als die mondmaskers eindelijk af mogen. Dat we mekaar met vernieuwde, verwonderde blik zullen bekijken. Ontroerd omdat we er zo kwetsbaar uitzien. Iedereen op straat met tranen in de ogen.

Genietend van die gedachte passeer ik nog even langs de tweedehandswinkel. Koop een mooie rok met fel oranje bloemen voor maar 3 euro. Kwestie van mijn alter ego’s, de blonde vrouw en de melkboerin, tevreden te houden. Een rok tot op mijn knieën deze keer, omdat mijn witte, stevige kuiten ook recht hebben op wat zonlicht. En de mensheid recht op een eerlijke representatie van (vrouwen)benen op straat, in alle maten, kleuren en vormen.

Een gedachte over “voor de blonde vrouw en de melkboerin

Geef een reactie op Jorien Reactie annuleren