Portret

Of we stil wilden zitten in de zetel. Ze wou ons tekenen. We mochten niet praten. Met de benen gekruist. Niet naar elkaar kijken. De handen moesten voor ons op onze schoot. 

Afleiding was er niet, ze was heel streng. Ik mocht niet in mijn boek lezen. Hij moest zijn gsm laten liggen. Dus we keken recht vooruit. Door het raam. Waar gelukkig wel wat te zien was. Net verhuisd, een tuin nu, dus heel wat vogels. We mochten het niet zeggen tegen elkaar, dat we een vinkje hadden gezien, een pimpelmees, wat kauwen en een paar van die halsbandparkieten die al een hele poos in grote groep in het park verblijven. Zelfs fluisteren was niet toegestaan. “Anders val ik uit mijn concentratie.” 

Ik keek naar haar en haar concentratie. De tong soms uit haar mond, haar bril naar het puntje van haar neus gezakt, bijtend op haar onderlip. Ze keek op. Was klaar met hem. Opgelucht dat het best goed gelukt was. Begon nu haastig, bijna gejaagd, aan mij. We gingen wat anders zitten, onze gewrichten kraakten, we zeiden kort iets tegen elkaar maar werden meteen de mond gesnoerd. Dus de stilte kreeg weer ruimte. We zagen wolken voorbij drijven. De zon die eerst feller scheen en dan weer zwakker. Een vliegtuigstreep in de lucht. Ik voelde zijn arm tegen de mijne. Zijn warmte. Ik voelde de rust van het niets doen. Alleen maar kijken. En wachten. Verwachten. 

En toen was er onrust. Haar enthousiasme weg. Een donkere wolk. Een boze blik. Het zou gaan stormen, onweren nu. “NEE!” Ze schreeuwde. “JIJ BENT NIET GOED MAMA. HET IS NIET GOED. KIJK TOCH NAAR DIE BENEN. ZO ZIJN JOUW BENEN TOCH NIET?” Ze stampte en schreeuwde en de tranen sprongen in haar ogen. De tekening vloog op de grond. “MIJN TEKENING IS STOM!!” 

We probeerden te sussen. Te bedenken hoe we het konden oplossen. Maar ze wilde ons niet horen. Onze oplossingen waren stom. Ze schreeuwde en beet in haar trui van frustratie. En toen klikte er iets in haar hoofd. De storm ging liggen, even plots als hij was opgekomen. Ze liep resoluut naar de kast. Nam een schaar. Knipte mij zonder aarzelen los van mijn geliefde. Ik dwarrelde verbouwereerd op de grond. Ik vreesde even dat ze het daarbij zou laten. Dat ze genoegen zou nemen met het portret van de man. En wij dus voor altijd losgesneden. 

Maar ze was inventief. Ik kreeg een tweede kans. “Papa en mama, wisselen van plaats nu.” eiste ze. Er was nog wat plaats op het papiertje aan de andere kant. Dus ze begon me opnieuw te tekenen, rechts van hem nu. Ze tekende snel. Verwoed. We durfden amper te ademen. Haar concentratie was heilig. Zou ze tevreden zijn? Zou ze de hoge lat die ze telkens voor zichzelf legde, halen? Ze stopte. Legde haar pen neer. Keek eens goed naar de tekening. En dan naar ons. 

Het verdict viel. Ik was goed genoeg. Papa was beter, maar ik kon er mee door. Oef. Maar de zetel waar we op zaten leek op een bed, vond ze. Ze aarzelde, leek af te wegen of dit een nieuwe storm waard was. “En het ís ook een bed”, besloot ze toen. En om alle misverstanden te vermijden, schreef ze nog: ‘Mama en papa in det.” Zodat niemand zou denken dat ze een zetel had getekend die op een bed leek.  

Wij zwegen wijselijk over dat buikje dat aan de foute kant van het stokje hing. Bleven nog even zitten in de zetel, zo zonder iets te doen. Mochten weer met elkaar praten, dus we zeiden levensbelangrijke zaken zoals: “kijk die duif” en “amaai, mijn rug”. Opgelucht dat we na die korte scheiding weer samen waren. En dat zijn linkerarm net zo warm was.

Een gedachte over “Portret

Geef een reactie op Anoniem Reactie annuleren