
Vanmorgen ben ik met de dochter en wat kussens en boeken achter in de tuin gaan liggen. Dat de dochter op eigen initiatief wil lezen, is uitzonderlijk, dus ik genoot van dit momentje samen met haar. Gisteren lag ze bovenop de kast met haar koptelefoon op, zachtjes meezingend met Pommelien Thijs. Een zeldzaam moment waarbij ze even op zichzelf was. Verder kan ze heel moeilijk alleen en bij zichzelf zijn. Het liefst van al staat ze constant in contact met anderen. In de klas is dat in voortdurende interactie met de klasgenoten, ook als er eigenlijk geconcentreerd en individueel gewerkt moet worden. Thuis wil ze altijd bij één van ons zijn, het liefst ook fysiek op een schoot of tegen ons aan. Dat is veilig, dan is ze gerust. Al als baby wilde ze voortdurend gedragen, gewiegd en gerustgesteld worden. Even ergens neer liggen was gelijk aan gevaar en maakte haar angstig en hysterisch. Maar muziek mag nu wel af en toe haar gezelschap zijn. Het helpt haar om even te focussen, zich af te sluiten van alle prikkels die ze zo graag allemaal en het liefst tegelijkertijd in zich opneemt, maar waar ze ook ontzettend onrustig van wordt. Boeken hebben dat effect nog niet, ze zijn nog een verplicht nummertje wat mijn lezershart pijn doet, maar ik kan niet anders dan geloven dat ze het genot van het lezen nog wel zal ontdekken. Ik probeer in ieder geval zelf wat vaker verzonken in een boek in beeld te komen, in plaats van eeuwig scrollend op dat vervloekte schermpje. We blijven ook elke avond voorlezen, want dát vindt ze wel heerlijk en aan boeken als ‘De gebroeders Leeuwenhart’ of ‘Ronja Roversdochter’ beleven wij minstens evenveel plezier.

Waar het zoontje was wist ik niet eens. Die kan dan weer ontzettend goed alleen met zichzelf zijn. Dwaalt verstrooid het huis en de tuin rond, zacht zingend, pratend of druk gebarend. Komt achterwaarts de trap af, trekt verwoed aan een imaginair touw, heeft plots oorwarmers op of verzamelt schatten die hij dan in zijn nachtkastje legt. Die schatten zijn onder andere een selectie van de mooiste servetten die hij her en der wist te verzamelen, 3 paar van zijn lievelingskousen (voor alle zekerheid want moeder is compleet onbetrouwbaar wat het wassen van zijn kousen betreft), tampons in 3 verschillende kleuren, een bouillonblokje (want het papiertje is van goud en het blokje lijkt op chocolade), een enorme stapel papieren zakdoekjes, een uitgebloeide korenbloem, een tandenborstel en twee paperclips.
Nu rende hij ons gehaast voorbij, merkte niet eens op dat we daar lagen te lezen. Het gras prikte tussen onze tenen en de bijtjes vlogen luid zoemend over op weg naar de phacelia, de goudsbloemen en reukerwten die naast ons uitbundig bloeiden en geurden. Ik lees het prachtige ‘Moderne natuur’ van Derek Jarman. Ik had wat moeite met afscheid nemen van ‘Onder een andere hemel’ van Joke Hermsen, een boek dat vanalles in me heeft losgemaakt, maar afscheid nemen is dan ook niet mijn sterkste kant. Het boek leerde me een verlangen naar het onbekende, dat al zolang in mij huist, te herkennen en erkennen. Het woord vertepijn, of nog beter ‘fernweh’, ontroert en omarmt me. Het is een gevoel dat me zo eigen is en me ergens ook in een soort eenzaamheid hulde al die tijd. Maar nu bestaat er een woord voor en dus ben ik niet alleen, er zijn nog zielen die rondlopen met die rusteloosheid, dat hunkeren, die mix van spijt en verlangen. Die fernweh, het altijd blijven zoeken naar (en nooit echt vinden van) een ‘heimfallen’, verbíndt mij dus net met anderen. Nu het een naam gekregen heeft, voel ik het opeens ook zoveel sterker. Het zit in mijn vingers, mijn hart voelt zwaarder, tranen wellen voortdurend op en tegelijk voelt het zo zacht. Ik voel hoeveel schoonheid er in dat gevoel zit, hoeveel schoonheid er voort kan vloeien uit dat verlangen. Er hangt een zachte wolk van weemoed om me heen. Iets doet pijn, maar het is zachte en soms zelfs gelukzalige pijn. Er is gemis maar het doet me deugd zo te mogen missen. Ik heb mijn intense gevoelsleven zo vaak vervloekt maar de laatste dagen proef ik vooral de rijkdom van al dat voelen.
Hermsen schrijft: “Iets ontbreekt, wat ook in het schrijven niet kan worden ingelost. Want zelfs als de taal de woonstee van de mens is, dan herbergt deze schemerige nissen, afgesloten kamers en duistere, onbekende plekken op zolder. Dat huis is bovendien gebouwd boven op de terra incognita van onze vroegste kindertijd, dat altijd vreemd terrein voor ons zal blijven. Maar als we ergens een raam openzetten en ons ‘naar buiten dromen’ en een briesje langs ons gezicht voelen strijken, weten we dat er oneindig veel meer is dan we op dat moment kunnen zeggen. Juist dat ‘meer’ wakkert het verlangen aan om door te schrijven. Nooit kunnen we zeggen dat we voorgoed ergens thuis zijn gekomen en dat er niets meer ontbreekt.” en “Juist in het ‘onbeschikbare’ schuilt de mogelijkheid om geïnspireerd te raken, ervaringen die hij in de kunst, muziek en literatuur, maar ook in de verwondering over de natuur terugvindt.”

Maar nu lees ik dus ‘Moderne natuur’ van Derek Jarman en het is het afscheid van ‘Onder een andere hemel’ waard want het is weer een schot in de roos. “Wie tuiniert spit in een andere tijd, zonder verleden of toekomst, begin of eind. Het is een tijd die de dag niet opsplitst in spitsuren, lunchpauzes, de laatste bus naar huis. Wanneer je de tuin in loopt, glip je die tijd binnen: het moment waarop je hem betreedt laat zich niet herinneren. Om je heen is het landschap veranderd. Hier bevindt zich het Amen na het gebed.” Het kan niet toepasselijker zijn op alle uren die ik het voorbije half jaar in de tuin heb doorgebracht. Mijn tuin was mijn redding in een hele donkere periode. Ik kon de achterdeur achter me dicht trekken en vluchten, mijn rusteloze handen een doel geven, mijn verwarde hoofd een focus, ik kon creëren, uitkijken, eenvoudige handelingen uitvoeren waar zoveel belofte en hoop in lag.

En nu ben ik, na een hele dag rommelen in die tuin, te midden van alle weelde gaan zitten. Weelde die ik gecreëerd, gecomponeerd heb in die donkere maanden. Achter me de kleine serre, waar we intussen bijna alle aardbeien hebben opgepeuzeld en de plantjes nu volop uitlopers in het rond schieten op zoek naar nieuwe grond om te wortelen. Waar de joekels van coeur de boeufs maar blijven groeien en steeds meer kerstomaatjes plukrijp zijn. Telkens als ik enkele tomaatjes – de perfecte kleur rood en verleidend glanzend – in mijn handen voel vallen, denk ik: ik moet ze bewaren voor de huisgenoten. Maar nog voor ik de keukendeur open, heb ik ze met veel genot en gezucht naar binnen gespeeld. Mijn moeder zegt altijd dat eten zoveel lekkerder is als iemand anders voor je gekookt heeft. Bij zelfgekweekte tomaten is absoluut het omgekeerde waar. Ze kunnen onmogelijk zo hemels zijn als ik vind dat ze zijn. Als ik diezelfde tomaatjes uit een bakje van de supermarkt zou proeven, zou me nauwelijks opvallen hoe ze geuren en hoe rijk en zoet en sappig ze zijn. Ik zou ze nooit met dezelfde aandacht en focus naar binnen spelen. En ik zou niet langs mijn neus weg aan de jaloerse echtgenoot vertellen hoe lang ze nog nasmaken naar de warmte en de geur en de sfeer van de serre. En als die coeur de boeufs nu eindelijk ophouden met groeien en de juiste kleur gekregen hebben, zal ik ze opensnijden met zoveel genot, hun sappige vlezige binnenkant bewonderen en iedereen zal horen hoe heerlijk ze smaken, zelfs al vallen ze dik tegen.

Links naast me drie grote zonnebloemen die nog net niet bloeien maar al bijna onder hun eigen gewicht bezwijken en daartussen korenbloemen en strobloemen, die laatste in wel vijf verschillende kleuren. Rechts van mij, om het hoekje van de serre (ik zie ze niet maar ruik ze wel) manden met basilicum en munt. Voor me de lavendel die ik vroeg in lente samen met de dochter op verschillende plaatsen aan de rand van het weggetje heb geplant en die nu prachtig bloeit. De bijtjes zoemen heen en weer tussen de lavendel en daarachter de vlinderstruik. Ik had die in maart nog helemaal kort gesnoeid maar de plant staat er nu groots en majestueus bij en bloeit in intens donkerpaars. Niet dat fletse paars van de meeste vlinderstruiken die ik zie aan de kant van de weg. (Je weet wat ze zeggen: eigen vlinderstruik, mooie vlinderstruik) Ik zag er al zoveel soorten bijen, vliegen, hommels en vlinders zich aan tegoed doen.

Wat verder rechts de uitgebloeide slaapbollen, wiens zaadbollen loom wiegen in de wind. Daarvoor de frisse, felle goudsbloemen, het komkommerkruid, de bolderik en de phacelia, bijna volledig uitgebloeid. In het hoekje bij het kippenhok heb ik een andere soort goudsbloem gezaaid, a touch of red, en ik kan niet wachten tot ik de zaadjes kan oogsten zodat ik er volgend jaar een veldje vol van kan zaaien. Ze vallen minder op maar kleuren zoveel zachter, geschakeerder en subtieler dan hun feloranje soortgenoten.

Terwijl de man daarnet naar zonnevlekken keek door zijn telescoop, plukte ik een boeket van korenbloemen, goudsbloemen, reukerwten, cosmos en voegde wat zaaddozen van uitgebloeide juffertje-in-het-groen, slaapbol en klaproos toe want hoe mooi zijn die toch. Daarna verzamelde ik de uitgebloeide klaprozen, bolderik, goudsbloemen, slaapbollen, korenbloemen en cosmos. Terwijl de zaaddozen en het zaad in de keuken liggen te drogen, heb ik alweer zoveel ideeën over hoe en waar ik ze in de lente ga zaaien, welke combinaties mooi zouden zijn en waar ik nog wat bloemenveldjes bij kan creëren. Ik heb mezelf nooit echt creatief gevonden, maar ik blijk wel groene vingers te hebben en kan maar niet geloven dat deze prachtige tuin het resultaat is van wat gepruts en proberen aan mijn kant.

Het is een moeilijk jaar geweest maar ik zit nu midden in mijn uitbundige tuin, ik hoor een merel zingen en dat ontroert me altijd, de man leest een boek, de dochter hangt tegen hem aan, het zoontje geeft de bloemen water met zijn imaginaire gieter. De eerste zonnebloem, naast de vlinderstruik, bloeit al en dat belooft want ik heb er een tiental her en der verspreid staan in de tuin.
Jarman schrijft over zijn tuin: ‘Afgezien van dat knagende verleden – film, seks en Londen – ben ik nog nooit zo gelukkig geweest als de afgelopen week.’ Hermsen schrijft: “Nooit kunnen we zeggen dat we voorgoed ergens thuis zijn gekomen en dat er niets meer ontbreekt.” Ik leerde die gedachte – er zal altijd iets ontbreken – de voorbije weken aanvaarden, en net daardoor ontbreekt er af en toe, nu bijvoorbeeld, helemaal niets.

Heel heel heel mooi.
LikeGeliked door 1 persoon