Ik zing al de hele week de altlijn van een Italiaans nummer dat we inoefenden in het koor. Al heb ik geen bijzondere stem noch talent voor al die vreemde talen (intussen is de tekst die ik zing dan ook een compleet verzonnen doch nog enigszins Italiaanse klinkende versie van het origineel), melodieën nestelen zich zeer snel in mijn hoofd en blijven daar vlotjes – en ook iets te hardnekkig – hangen. Intussen kwam deze altlijn al zo vaak langs dat die voor eeuwig in mijn geheugen gebrand lijkt.
De kinderen zijn allebei op kamp met hun klas, dus na het werk moet ik helemaal nergens zijn en is er niemand die mij nodig heeft. Wat een genot.
Ik fiets naar mijn favoriete tweedehandswinkel. Sinds ik ontdekte dat er in Antwerpen 5 van zijn, koop ik uitsluitend nog mijn kleren daar. Hoe fijn is het om daar te winkelen: er staat goeie muziek op, iedereen is lief en lijkt even verstrooid dromerig als ik me daar meestal voel. De winkels zijn klein, er hangt een ontspannen sfeer, ik glimlach naar iedereen en iedereen glimlacht terug. Na een snelle scan heb ik meestal een 3-tal leuke kledingstukken uitgezocht waar ik na het passen één van koop. 10 minuten duurt dat dan, niet langer en vandaag is alles aan vijf euro. Alles wat ik tegen shoppen heb (die geur! dat lawaai! te groot! ik vind de roltrap niet! te veel keuze! te veel mensen! te duur! te goedkoop! waar zijn de pashokjes? dat gebiep! ik vind de uitgang niet! ik wil hier weg!) vervalt hier.
Ik spot al snel een leuk vestje en juich inwendig als het mijn maat blijkt. Bij de pashokjes roept een vrouw verrukt dat de schoenen passen! Mensen kijken op. Ze vertelt aan iedereen die het wil horen dat dit een prachtige dag is. Een topdag! Ze vond net al een goede regenjas én nu ook nog deze wandelschoenen. En dat voor vijf euro! Ze praat luid en opgetogen en wij lachen allemaal met haar mee. Ik voelde een gelijkaardige verrukking toen ik dat mooie vestje vond en ben nu lichtelijk jaloers op het feit dat zij ons zo ongegeneerd deel maakt van haar vreugde. Aan de kassa zegt ze nog: je weet natuurlijk niet of het een koude winter wordt, maar “we zin veurberaaid!” En ik knik bevestigend. Ik ben oprecht blij dat zij, áls het een koude winter wordt, haar dikke winterjas en wandelschoenen zal hebben. Ik zou bijna een strenge winter wensen, alleen voor haar. Vrolijk stap ik buiten.
Ik wil nog even naar een andere winkel, die met de twee kruiden in de naam. Ik heb daar niets nodig maar in mijn klas zit een jongeman die naar die winkel ruikt. Telkens als ik bij zijn tafel kom, moet ik me inhouden om niet plots ongecontroleerd in zijn nek te gaan snuffelen. Ik heb iets met geuren. De man noemt me wel eens de bloedhond. Andere deo, een uur daarvoor chips gegeten, kleren die een jaar in de kast hebben gelegen en nog naar een vorig wasmiddel ruiken, ‘s avonds een vaag parfum van iemand die hem die ochtend een knuffel gaf, stiekem ergens fastfood gegeten, ik ruik het allemaal! Maar zoals je dus dat drankje wil kopen dat je net onbewust in een film zag passeren, zo wil je blijkbaar ook naar die winkel als je cursist er naar ruikt. Misschien leveren ze wel aan het asielcentrum, waar hij verblijft, en zit daar een hele marketingstrategie achter. Zó strikken ze die onwetende, argeloze lesgevers Nederlands dus in hun netten!
Tot mijn lichte weerzin is er al een hele afdeling kerstartikelen te vinden. Het is eind september en ik hou van de herfst en de waanzinnig lekkere geur die nu in het park hangt (een geur die zelfs de winkel met de twee kruiden nooit zal kunnen vangen). Toch ben ik ook nog niet helemaal klaar met de zomer. Mijn tuin probeert me wat te helpen, ik zaaide 2 keer zonnebloemen, 1 keer in mei en 1 keer eind juli. De eerste zijn nu bijna uitgebloeid en worden dagelijks bezocht door een troep halsbandparkieten die ervan smullen. De tweede groep zonnebloemen begint, geheel volgens plan, nu pas te bloeien, machtig is dat!
En toch is het eind september en ruikt het, zelfs in mijn tuin, ontegensprekelijk naar herfst. En dat terwijl het gisteren lijkt dat de man en ik gingen trekken met de tent op de rug langs de Opaalkust, dat we later met ons vier in het schitterende Basel met het kabelbootje vol vlaggetjes de Rijn over staken, we prachtige bergwandelingen maakten tussen de stieren (waar enkel ik bang voor was), onze kinderen in het airbnb-huisje ‘s morgens in stilte of zacht zingend met Kapla speelden terwijl wij uitsliepen, waardoor de eigenaars dachten dat wij zo’n goeie ouders waren (HAHAHA). Dat we met mijn broer, schoonzus en de lieve nichtjes in die prachtige villa aan het Lago Maggiore arriveerden. De villa mét piano die helemaal de sfeer van mijn lievelingsfilm ‘Call me by your name’ uitademde. Helaas speelt niemand van ons deftig piano waardoor er de hele week dat ene zelfde melodietje weerklonk dat een onbedachtzaam iemand (ik noem geen namen) de kinderen de eerste dag leerde (oké ik beken, ik was het). Waar ik de was, die bijna instant droogde in de hete lucht, ophing, geassisteerd door mijn zoontje die met een stokje de onderbroeken uit de mand viste en me aanreikte. Waar de schoonzus me diep ontroerde terwijl ze zong en ukelele speelde, de koffie hemels smaakte, het water helder blauw, de hangmatten zacht en uitnodigend.
Ik kan, nagenietend van de zomer, gerust aanvaarden dat het herfst is. Uitkijken zelfs. Naar die zachtige, zonnige herfstdagen buiten waar qua kleuren en geuren eigenlijk niets aan kan tippen. Maar zo’n afdeling vol kerstartikelen is er over, lieve winkelmetdetweekruiden. Er los over. Ondanks de geur en de rustgevende klassieke muziek, besluit ik er uit stil protest niets te kopen. Daar gaat hun hele marketingstrategie. HA! Mij hebben ze niet liggen!
Ik adem nog even diep en genietend in voor ik de winkel verlaat. Buiten kan ik de herfst weer inademen. En vanavond snuffelen aan mijn stinkende kinderen die thuis zullen komen van het kamp. Dat zijn de enige momenten waarin deze bloedhond kan genieten van stank. Sterker nog, als ik zou moeten kiezen, kies ik altijd die stinkende kinderen vol verhalen, luizen, zand, de snotneuzen tegen mijn wang, de zwarte nagels, de zweetvoeten. De huil- en woedebuien door te weinig slaap en te veel prikkels neem ik er ruimhartig bij. En morgen kan ik dan ter compensatie weer onopvallend aan mijn cursist snuiven terwijl ik hem toon hoe hij de ‘u’ moet schrijven.
Als ik toch nog wat zomer wil, heb ik mijn zonnebloemen. En ik kan natuurlijk ook altijd nep Italiaans zingen en me zo in het broeierige gezelschap van Thimothée Chalamet wanen. Maar laat de kerst en winter alsjeblieft nog maar even wachten.
Ík zin nog ní veurberaaid.
Zaaaalig.
LikeGeliked door 1 persoon