Zeg eens wit

Zondagnamiddag. De zon schijnt ons huis binnen, er wordt een domino parcours gemaakt met Kapla blokken en er wordt geconcentreerd gepuzzeld. Maar niet door mij. Ik kocht een puzzel van 1000 stukjes in de Kringwinkel. Dacht, misschien is het wel fijn om ‘s avonds samen met de kinderen te doen. Misschien word ik daar wel rustig van. Misschien doet me dat goed, dat is toch een ding hé, volwassenen die puzzelen? Wat klassieke muziek op de achtergrond en dan harmonieus met de dochter zoeken en proberen. Lekker meditatief. Zo stelde ik me dat voor. Ideaal voor haar om rustig te worden na een drukke dag vol prikkels en frustraties (“Ik kan niets!”). 

Dat bleek helemaal te kloppen. Het gedeelte over mijn dochter tenminste. Maar ik had mezelf eerder fout ingeschat. Wat een vermoeiend en frustrerend karwei is dat eigenlijk, puzzelen? Hoezo meditatief?! Het werd al heel snel duidelijk dat dit toch eerder een projectje voor de man en de dochter zou zijn. Af en toe roept ze me, vraagt of ik er niet even gezellig kom bijzitten. Dat het echt leuk is. Zij rustig neuriend. En dan zit ik daar, 5, 10, 15 minuten te turen, vind geen enkel passend stukje en word daar toch zo ongedurig en slechtgezind van. Liefst van al wil ik dan rechtspringen, “ik kan niets!” schreeuwen en de hele puzzel door de kamer gooien. Ik doe dat natúúrlijk niet. Ik ben volwassen! Ik bewaar mijn cool en zeg nonchalant iets in trant van: dit is zo saai, ik ga iets anders doen. En geef mezelf in gedachten trots een schouderklopje.

Het zoontje zingt op het toilet: ‘Wie vindt kaka lekker? Wie vindt kaka lekker?’ Aan zijn teksten moet misschien nog een beetje gesleuteld worden, maar hij zingt mooi en graag. Ik vroeg onlangs of hij geen muziekschool zou willen volgen. Hij moest daarvoor eerst het fijne weten van die muziekschool. Hoe lang je naar die school kon gaan bijvoorbeeld. Hij vond het bevreemdend dat dit eigenlijk je hele leven kan, als je dat wil. ‘Zelfs tot vlak voor je dood gaat?’ En ‘Zelfs tot jullie gaan verhuizen als ik groot ben?’ Ik wees hem er op dat niet wij, maar hij zelf zal moeten verhuizen als hij groot is. Hij was verward. Keek bezorgd. ‘Moet ik dan alles zelf inpakken of gaan jullie mij helpen?’ Ik verzekerde hem dat we hem dan gerust wilden helpen met het inpakken. De concrete taakverdeling stelde ik liever nog uit, dat vond hij lastig. Maar hij concludeerde, op basis van de verzamelde informatie, dat hij niet naar de muziekschool wilde. Voor je het wist ging je dood, of erger nog: moest je het huis uit en was je alles zelf aan het inpakken. De horror!

Even later hoor ik hem de woordjes oefenen die hij leerde op school. Ik hoor hem hakken en plakken zoals ik mijn andersgealfabetiseerde cursisten deze dagen ook aan het leren ben. Of toch bijna. Ik hoor: z uu s: zuus, k uu s: kuus, v ie s; vies, ie k: iek, m ie k: miek, … Ik wil hem corrigeren: zus, kus, vis, ik, maar weet dat het geen zin heeft want zo leerde hij en zo zal hij het zijn hele leven zeggen. Ik moet denken aan de hevige discussies die we als tieners hadden op kamp toen we voor het eerst hoorden dat die Antwerpenaeren ‘vies’ zeiden tegen een vis en wij overtuigd waren dat onze ‘ves’ de enige juiste uitspraak was. 

Hij leerde ook de ‘z’ en vertelt me opgewonden over een superheld, die – wel een beetje slordig maar ja, dat kan je ook niet zo netjes doen als je intussen aan het vechten bent, zegt hij kritisch doch begripvol – overal een z schrijft met zijn sabel. Zorro! Oh nostalgie! Mijn broers en ik hebben daar als kind zo vaak naar gekeken. Ik zoek een oude zwart-wit aflevering op Youtube en kijk er met de kinderen naar. Die intro! Die stem van Diego De La Vega. Zijn snorretje! Sergeant Garcia (van wie ik mijn eerste Engels zinnetje: “open the gates” leerde), de spanning, de muziek! Er vallen meerdere doden, dat maakt op de kinderen toch meer indruk dan dat op mij als kind deed. Op het einde vraagt de schone die door Zorro net uit de handen van de bandieten werd bevrijd, hoe ze hem toch ooit kan bedanken. Waarop hij geen moment aarzelt, haar in zijn armen neemt, uitgebreid kust en dan de donkere nacht in rijdt op Tornado. Zij blijft zwijmelend achter. Ik moet heel hard lachen en de kinderen begrijpen er niets van. Andere tijden. 

De dochter heeft op de achterkant van een verkiezingsposter een lijstje met moppen geschreven. ‘Wijs eens naar je neus?’ – wijsneus! ‘Zeg eens groen?’ – Je bent een pompoen. ‘Zeg eens zwart?’ – Je snurkt te hard. Ik leer haar enthousiast mijn eigen favorieten: ‘Zeg eens oranje?’ – Uw onderbroek ligt nog in Spanje. Moeders mopjes worden hier over het algemeen zeer kritisch onthaald, maar ze moeten toegeven, uw onderbroek in Spanje, da’s een goeie! Ik ben nu op dreef: ‘Zeg eens wit?’- Ge zit met uw lief op toilet! Ik moet zelf heel hard lachen, maar mijn kinderen kijken me fronsend aan. Wit, toilet, dat rijmt toch helemaal niet! Dat rijmt inderdaad niet als je wit uitspreekt als “wiet” in plaats van als “wet” lieve kinderen. Ik draai eens met mijn ogen en herhaal de mop in gedachten. In het West-Vlaams rijmt het wél, dus ik gniffel nog eens. Met uw lief op toilet. Haha! Die twee snotapen echter verrekken geen spier. 

Ik besluit hen mijn hilarische input verder te ontzeggen, pech voor hen, en duik de tuin in. Er bloeien nog wat zonnebloemen, dahlia’s en Oost-Indische kers. Nog even een tuin vol kleur en groen, schitterend in de oktoberzon. De rozenbottelstruik en zonnebloemen worden druk bezocht door meesjes en het is een genot om hen bezig te zien. Ik stopte her en der allerhande bloembollen in de grond die ik nu probeer te vergeten, zodat ze me in februari kunnen verrassen. In de serre steken de reusachtige tomatenplanten hun allerlaatste restjes energie in nog enkele tomaten, terwijl ze al geel kleuren en het proces van afsterven reeds in gang is gezet. Ik besluit dat het goed geweest is en sleur ze naar buiten, ze gaan de groencontainer in en de serre lijkt ineens zoveel lichter en ruimer. Ik hang de planken terug en geef er mijn aardbeienplantjes een plekje. Ik ben er wellicht veel te laat mee, maar besluit de vele uitlopers nog te stekken. Ik veeg mijn serre nog even schoon en kijk tevreden naar het resultaat. 

Het zonnetje schijnt binnen en het ruikt heerlijk naar herfst. Ik zie het al helemaal voor me. Ik ga hier, in het allermooiste herfstlicht, tussen de aardbeienplantjes, de komende maanden veel tijd doorbrengen. Een dekentje, een boek, een schrift. Lezen, schrijven en wegvluchten van puzzels en dat Antwerpse gespuis dat maar al te graag de spot drijft met hun West-Vlaamse moeder. Dát is nu eens rustgevend en meditatief! 

Een gedachte over “Zeg eens wit

Plaats een reactie