niet melig

Ik zie zijn spottende lachje voor me terwijl ik mijn boterham bekijk. Het zoontje slaapt net, de dochter is buiten. De maagjes van de kindjes gevuld, de mijne rommelt. Ik maak een boterham met kaas. Het laatste schelleke. Net niet genoeg om mijn hele boterham mee te beleggen. Dat is lastig. Brood – zelfs het kleinste stukje – zonder beleg, dat gaat niet voor mij. Ik snij het kaasloze hoekje er af. Daar gaat choco op, als dessertje. Hoe ik mijn boterham altijd volpuzzel, elk hoekje moet bedekt, dat vindt hij grappig.

In mijn ooghoek zie ik de dochter op straat voorbijkoersen op haar fiets. Ze kan het eindelijk zonder wieltjes. Dat faalangstige hoofdje van haar heeft het nog even uitgesteld maar ‘t is zover. En blij dat ze is. Deze morgen ineens het hele park door. En dan met een hoog stemmetje tegen haar broer, die bij mij op de fiets zit: “Kijk eens wat zusje hier nu plots kan zeg?” Ik maak een foto voor de man. Beeld me in hoe trots hij zal zijn. Hoe zijn hart een beetje zal zwellen, hij glimlachend naar de foto zal kijken alsof híj één of andere topprestatie heeft geleverd.

Fluiten kan ze ook. We hadden uitgelegd dat je dat enkel kan leren door heel veel te oefenen. Dus dat deed ze. Van aan de ontbijttafel tot ‘s avonds in haar bed, de hele dag werd er – eerst geblazen en ook iets te vaak naar mijn goesting gespeekt, en op den duur, steeds beter – gefloten. We moeten er soms mee lachen. Zoals toen ik bij haar op bed zat, wachtend tot ze sliep. Ik hoorde gesnurk dus ik maakte me klaar om de kamer uit te gaan. Terwijl ik voorzichtig recht stond hoorde ik ineens ‘fieuw-wiet’. Daarna snurkte ze rustig verder. Of daarnet toen ze in mijn armen aan het huilen was zoals zij dat zo goed kan: ongegeneerd, roodaangelopen, hééél erg luid en intens, te horen tot ergens achterin de straat. Heel abrupt stopte ze: ‘fieuw-wiet’. Waarna ze even stil was en daarna weer even heftig verder huilde. Met de grootste moeite probeerde ik niet te lachen en haar verdriet ernstig te nemen. Bij het avondeten vraag ik haar of ze dat bewust deed. “Ja, ik wou even voelen of een fluitje mij zou kunnen troosten. Maar dat lukte niet dus toen weende ik maar verder.” Onze ogen haken in elkaar en we glimlachen kort, de man en ik. Denken hetzelfde. Dat koppeke van haar. Dat heerlijke koppeke.

Ik trek me terug in het kleinste kamertje. Hij is thuis dus nu kan dat even helemaal alleen. Er wordt verschillende keren aan de klink gerommeld maar de man weet de kinderen toch op afstand te houden. Als het zoontje hoort hoe ik doortrek, roept hij enthousiast: “mama sijn er!”. Elke ochtend somt hij heel geconcentreerd alle machines op die hij kent: “koffie-masjien, snij-masjien, graaf-masjien, brood-masjien, was-masjien!” en dan kan zijn dag beginnen. Zijn fascinatie voor machines heeft het eindelijk gewonnen van zijn angst. Dus kan ik terug stofzuigen met hem in de buurt. ‘t Is te zeggen. Hij draait zijn stokpaardje ondersteboven en doet mee. Bromt luid van “bzuuuuuuuuu” en loopt me de hele tijd voor de voeten. Want hij wil op exact dezelfde plek stofzuigen waar ik bezig ben. Half in mekaar verstrengeld stofzuigden we gisteren de trap. Hij stond ongeveer tussen mijn benen en het paard ramde voortdurend de stofzuiger. Maar we donderden niet van de trap en ik vond het heerlijk. Dat gebrom en die tevreden “sjo” als we klaar waren. Hoe hij het stokpaardje ook in de imaginaire oplader klikte. De man en ik zijn het erover eens: hij is om op te vreten. Zelfs zijn driftbuien zijn schattig.

Hij merkt het soms voorzichtig op. Dat ik schrijf alsof hij er niet is. Alsof ik alles alleen doe. Dat ik niet schrijf over hoe hij de dingen overneemt als hij thuiskomt, de emoties vangt, het geratel aanhoort, de takjes uit de haren plukt en de rommel schikt en ordent. Hoe hij een rode draad is doorheen onze dag, ook al is hij aan het werk. Dat ik niet schrijf over hoe ik de dingen pas echt helemaal voel of beleef als ik ze met hem deel. Over hoe alles begint met en eindigt bij hem. Net zoals deze tekst. Daar schrijf ik niet over. Want dat zou melig zijn.

goud

Het is zo’n zeldzame ochtend. Ik word wakker en merk opgetogen: ik voel me uitgeslapen én het is nog stil in huis! Zou het zo’n gouden ochtend kunnen worden? Zo’n ochtend met wat tijd voor mezelf? Het is nu zaak om zo snel mogelijk beneden te geraken en daarbij zo weinig mogelijk geluid te maken. Ik weet de plekken waar de trap kraakt te ontwijken, ga voor de deur van dochterliefs slaapkamer bijna de mist in door te struikelen, maar kan mezelf verbazend geruisloos in evenwicht houden en geraak uiteindelijk beneden. Eens in de keuken voel ik me euforisch, ik hoor de vogels zottekes doen, de zon piept binnen via de koepel en ik zet mijn favoriete playlist op. (waarbij de dochter dan zou vragen: ‘Mama, waarom klinken die allemaal zo verdrietig?’ En ook: ‘Wat zingt hij? Waarom? Wat bedoelt zij daarmee?’ En dan plots verontwaardigd en met een blik naar zichzelf en haar broer, als waren het twee verwaarloosde weesjes: ‘Wanneer ga je nog eens muziek voor óns opzetten? Je zet nóóit muziek op voor ons!’) Ik aarzel even maar mijn vinger lijkt een andere meester te gehoorzamen en drukt krachtig op de knop van de koffiemachine. Tot voor kort was koffie zetten iets wat in stilte gebeurde, met een filter, koffiepoeder en kokend water. Ik kon daar wat bij wegdromen terwijl ik het water in cirkeltjes en eindeloos traag over het koffiepoeder liet vloeien. Maar in de eerste week dat we thuis zaten kreeg mijn man het al op zijn heupen en moest en zou hij een grote online aankoop doen. Jawel, zo’n snoeverige koffiemachine die met groots vertoon en vooral veel lawaai zelf bonen maalt, of liever: verpulvert, verplettert, vernietigt TOT ER NIETS MEER OVERBLIJFT. Ik stel me daar dan een soort haka bij voor en wild geklop op de borst. Het maakt in ieder geval zo veel lawaai dat mijn kindjes, die zich sowieso al ergens in een staat tussen slapen en waken bevinden, er best wel eens wakker van zouden kunnen worden. Maar ik heb gedrukt en ik moet trouwens niet onnozel doen, zo’n gouden ochtend kan niet bestaan zonder koffie. Dus de machine gromt eens wild en gaat dan de oorverdovende strijd met de bonen aan. Daarna is het dreigend stil. Sufjan zingt op de achtergrond voorzichtig “should I tear my eyes out now?” (en ik ben blij dat ik dat even niet moet uitleggen aan de dochter) maar verder blijft het stil. Zou het gelukt zijn? Alle hindernissen overwonnen? Voorzichtig neem ik de tas koffie en nestel me in de zetel bij het raam. Ik sluit mijn ogen, adem het koffiearoma eerst diep in, zet de tas aan mijn lippen en hoor dan in de gang “Maaaamaaaaaaa! Tobe is wakker en doet zot! En ‘t is diarree bij mij!”

mascara

Het zoontje was jarig. We beseften de avond voordien dat we geen enkel cadeau hadden. We vonden dat toch een beetje zielig, ook al was hij zich absoluut nog niet bewust van het feit dat hij jarig zou zijn en dat daar ook cadeaus bij horen.

De dag erop spring ik dus ‘s morgens snel op mijn fiets in de hoop nog iets te scoren in de Colruyt. Ik moet denken aan iets dat ik las over de Colruyt, waar gevraagd wordt de pijlen op de grond te volgen om ten allen tijde die 1,5 meter afstand te kunnen verzekeren. Een vriendin van me had vroeger (lang voor corona) ook al eens geklaagd over hoe ergerlijk mensen zijn die de pijlen niet volgen. Ik ben daar dus één van. Ik loop meestal wat verdwaasd door een supermarkt, overprikkeld door alle mogelijke producten die ik vluchtig probeer te bekijken en die me tevens verlammende keuzestress bezorgen. Ik neem me dus voor deze keer op te letten en de pijlen braaf te volgen. 5 minuten later kijk ik verstrooid in de boze, teleurgestelde blik van een man die op mijn vader lijkt. Ik krijg bijna de neiging even in de hoek te gaan staan. Nog eens 5 minuten later besef ik dat die blik wellicht te maken had met het feit dat ik dus de pijlen ab-so-luut niet aan het volgen ben. Ik mompel wat verontschuldigingen naar de rij mensen waar ik langs moet en hoor in gedachten “Shame! Shame! Shame!”. Enfin, ik vind uiteindelijk wat spulletjes waar vooral de dochter heel blij mee is. Het zoontje zelf roept de hele dag boos: “nee!” als we zeggen dat hij jarig is. Zoentjes wil hij niet, cadeautjes wil hij niet, de aandacht wil hij niet. Nog een geluk dat hij het dankzij corona alleen met ons moet doen. Stel je voor dat er bezoek was gekomen, dat zou pas echt een rotdag geweest zijn!

De volgende ochtend. Ik zit op het toilet en het zoontje komt zich zonder pardon op mijn schoot wurmen. De rest van de ochtend wil hij op mijn heup kamperen en enkel daar. Telkens als ik hem probeer neer te zetten, klampt hij zich als een aapje aan mij vast en begint hartverscheurend te huilen. Als ik doorzet en hem min of meer van me af schud (wat voel ik me een geweldige moeder op zo’n moment), hangt hij hysterisch huilend tegen mijn benen. Ik hijs hem zuchtend weer op mijn heup en probeer met mijn vrije hand kefir door een zeef te gieten. Ik giet de helft er uiteraard naast terwijl het zoontje boos blijft huilen. (Maar we moeten eerlijk zijn, er was ook met 2 vrije handen een best grote kans dat ik die kefir er naast had gekeild) Ondertussen valt de dochter mij aan in de rug. Er wordt luid gebruld en wild aan mijn broekzakken getrokken. Ik roep geërgerd: “Stop daarmee!” Een nieuwe aanval, weer luid gebrul, nog meer getrek aan mijn broek. Ik bedenk me dat ze al de hele ochtend een poes speelt (die ondertussen zo’n 15-tal baby’s heeft gebaard op de yogamat) dus dat ze wellicht correct aangesproken wenst te worden. Ik schreeuw specifieker: “Stop daarmee poes!” Het gebrul zwelt aan, het getrek wordt woester, … Twijfel rijst! Is ze ondertussen een tijger, of is het een leeuw of nee, een panter? Er vindt een kleine kortsluiting plaats in mijn hoofd (het zoontje weent steeds bozer en de kefir drupt op de grond) en ik schreeuw: “STOP DAARMEE KATACHTIGE!”

De kindjes zijn stil en kijken me allebei verbaasd aan. Ik weet niet of ik moet lachen of huilen. De dochter vraagt voorzichtig: “Wat is ook alweer een katachtige, mama?” en ik kies lachen. Als ik het zoontje een boterham in de hand stop, schrokt hij die hongerig naar binnen. De dochter zegt: “Hij had gewoon honger mama, en wij hadden dat niet door hé. Dat was niet slim van ons hé?”. Het ontroert me dat ze de schuld zo eerlijk onder ons verdeelt.

We fietsen even later naar het park. Alweer. Ik deed nog snel wat mascara op. Het zou zomaar even kunnen gebeuren dat ik oogcontact maak met een andere volwassene. Ik word licht euforisch van die gedachte. ‘t Is erg koud, maar de zon schijnt en ik voel hoe de opgekropte frustraties zomaar vervliegen en oplossen in de kilometers lucht boven mij. Ik oefen wat in dankbaarheid, dat lukt beter in de buitenlucht waar kinderstemmen aangenaam en schattig klinken. Ik ben dankbaar. We hebben een dak boven ons hoofd, een volle koelkast en komen niets te kort. We zijn met z’n vieren en kunnen mekaar nog vollenbak besnuffelen en aaien en zoenen en knuffelen. Dit is één van de beste landen om in te wonen tijdens deze crisis. We zijn allemaal gezond. We wonen vlakbij het schoonste park van het land.

Het zoontje zit voor mij, ik zoen hem af en toe in zijn nek. Hij neuriet blij omdat we eindelijk buiten zijn en roept opgewonden: “boom, boom, auto, boom!” In het park tovert de dochter een ‘wapen’ ( = een metalen ringetje) uit haar onderbroek (“want ik had geen zakken”). We bevechten samen de haai ( = het onschuldige zoontje dat zich van geen kwaad bewust is) die ons maar blijft aanvallen. Als we naar huis fietsen zingt ze een liedje: “Oooh we mogen niet naar school door het viiiiruuuus, en we gaan nu naar het park en de zoooooon schijnt. En we mooogen gelukkig wel met ons zinnetje (sic) saaaaaaaaamenblijven.” Ik maak oogcontact met een man die glimlachend naar het gezang van mijn dochter luistert. Al een geluk van mijn mascara.

we zullen nog zien

Gisterenavond, ik lig in bed. Behoorlijk overprikkeld door nieuws, radio, smartphone en ohja, kinderen. Daarnaast ook opgekropte ergernis en donkere gedachten. En de zaken dag per dag bekijken (dé gouden raad in deze tijden), daar is bibi niet zo goed in. (zie mij hier Antwerps doen) De kinderen waren heel vermoeiend en ik die (al zeg ik het zelf) normaal véél geduld heb en graag op zoek ga naar onderliggende behoeften werd een ongeduldige, geërgerde moeder. Ook had ik stiekem al een paar keer gefantaseerd over mijn uitgesmeerde hersenen op het plafond en vooral over hoe heerlijk stil het na de knal zou zijn. Kort samengevat: ‘t begon een béétje te wegen.

Deze morgen, ik krijg telefoon. Een medewerker van Kind & Gezin belt om de afspraak voor het zoontje te annuleren. Ik doe maar alsof ik nog weet dat we een afspraak hadden. De vrouw aan de andere kant van de lijn lijkt geen haast te hebben. Ze klinkt erg lief en vraagt hoe met ons gaat. Even aarzel ik, ze vraagt het zo oprecht dat ik bijna mijn hart uitstort over ergernissen, hysterische kinderen en algemene labiliteit. Bijna! Maar ik herpak me (stel je voor dat er “LABIEL” en een uitroepteken naast mijn naam komt te staan in één of ander groot Sinterklaasachtig Kind&Gezinboek) en zeg dat het pittig is maar dat alles oké gaat. Met een beetje spijt rond ik het gesprek af, ze lijkt het zelf ook jammer te vinden. Misschien was dit haar laatste telefoontje en moet ze de rest van de dag spuitjes ordenen volgens kleur en grootte. Na dit telefoontje besef ik: vandaag moet een betere dag worden.

Als de man naar zijn werk vertrekt, sleep ik vol goede voornemens de mat naar ‘t midden van de living en ik probeer de yoga-app uit die de schoonzus heeft aangeraden. Ik zeg tegen de dochter dat we de makkelijkste oefeningen zullen kiezen omdat het anders voor háár te moeilijk zou zijn (yeah right). Na een eerste rondje van 15 oefeningen ben ik al licht in mijn hoofd (de 4 tassen koffie op een verder nog lege maag zitten daar wellicht ook voor iets tussen), staat het zweet op mijn voorhoofd en heb ik mijn nek in een hoek gekregen waar een nek zich in niet-coronarmale omstandigheden zelden bevindt. Maar de dochter wil graag nog een keer en deze keer de moeilijke! Na wat geploeter, een pijnlijke kopstoot, een totaal gebrek aan evenwicht en een nek die steeds vaster komt te zitten, gaat de dochter ermee akkoord dat we het voor vandaag voor bekeken houden. Of we het morgen weer gaan doen? “We zullen nog zien” zeg ik ontwijkend. Het zoontje is al moe geworden van gewoon naar ons te kijken (maar hij is ook een beetje lui, we moeten daar eerlijk over zijn) en ligt ondertussen languit naast de mat. Als de kindjes even later blij “koek, koek, koek!” scanderen wanneer ik hen elk een taaie maiskoek geef, weet ik niet zeker of ik trots moet zijn omdat ze zo blij zijn met weinig of dit er toch een beetje over gaat en ik hen dringend nog eens een snoepje moet geven.

Volgende actie: een wandeling maken. Kinderen (van 2 en 4, geen onbelangrijk detail) klaarmaken om buiten te komen, is voor een ongefocust iemand als ik een enorm karwei. Het voelt alsof ik 15 schapen bijeen probeer te houden en een bepaalde richting uit moet krijgen, terwijl ik zelf voortdurend (maar per ongeluk!) afdwaal. Zonder de man, die ons steeds als een getrainde herder vlotjes bijeen weet te drijven, duurt het dan ook een eeuwigheid voor we ‘t huis uit zijn. Maar goed, ik slaag er uiteindelijk in en we vertrekken. Het zoontje weigert te stappen dus mag in de buggy (zei ik al dat hij erg lui is?) en de dochter gaat op berenjacht. Blijken er in ons kleine, doodlopende straatje alleen al zo’n 10 beren te zien zijn achter de ramen, mijn hart! “Waarom doen de mensen dat?” vraagt de dochter. “Omdat we door het virus behalve wandelen niet veel mogen doen, en zo is het voor de kinderen wat leuker …” Ik moet stoppen middenin mijn zin want ontroering overvalt me en snoert mijn keel dicht. De gedachte dat we allemaal in ‘t zelfde schuitje zitten en met deze knuffels elkaar de figuurlijke hand reiken komt binnen. In het park vinden we een heerlijk rustig plekje in de zon, bij een bloeiende magnolia (“het is hier precies lente!” roept de dochter) met op enkele meters een schattige eekhoorn die zich uitgebreid laat bewonderen. Het zoontje hangt wat op de bank na dat vermoeiende tochtje in de buggy (on-ge-loof-lijk lui) en de dochter gaat op verkenning. En ja, ik voel dat ik er weer een beetje tegen kan.

‘s Avonds mogen ze nog een stukje van de nieuwe lievelingsfilm van de dochter kijken. Na een tijdje gaat de tv uit en vertel ik dat ze morgen verder mogen kijken. “Nee, ik heb een idee, eerst gaan we nog een beetje spelen en dan mogen we nog naar de rest kijken, oké?” Ze zegt het op zo’n toon alsof het al in de sacoche is. Goed geprobeerd, maar het antwoord is nee. Ik probeer oogcontact te maken om te zien of ze me heeft begrepen. “We zullen nog zien mama”, zegt zij nu ontwijkend.

En ik vind dat eigenlijk de perfecte slogan voor de komende weken. We zullen nog zien.

over hoe alles anders en uiteindelijk hetzelfde is

Gaan winkelen mag enkel nog in je eentje. Daar waar ik de voorbije dagen nog beide kindjes mee had en verontschuldigende blikken naar andere klanten wierp omdat mijn kinderen alles gretig aanraakten en mijn zoontje ook wel eens op orale verkenning durfde te gaan, is dit nu niet meer mogelijk. Dat gaat nog het hoogtepunt van mijn dag worden, ik voel het. Voor mijn man naar het werk vertrekt, spring ik nog even op mijn fiets richting de winkel. We hebben zelf niet eens iets nodig, maar mijn buurvrouw wel en ik ben daar niet rouwig om. Aaah. Even stilte, wind, buitenlucht.

Later vandaag. Zo vervelend als ik telefoneren al vind, des te meer moeite heb ik met video calls. Nog meer dan bij een telefoongesprek vallen er ongemakkelijke stiltes, onderbreek je mekaar of heb je niet gehoord wat de ander zei omdat je teveel naar jezelf aan het kijken was. Maar goed, mijn vierjarige dochter wil haar schoolvriendjes/oma & opa/nichtjes zien dus wat moet, dat moet. En al bij al valt het wel mee. Zo speelde ze verstoppertje met haar nichtjes, en liepen ik/mijn broer rond met de laptop om het verstopte kind te spotten terwijl het kind aan de andere kant van het scherm aanwijzingen gaf over waar er gezocht moest worden. Dat was best leuk. En zij speelde met haar plasticine en haar vriendje met de zijne terwijl ze enthousiast toonden wat ze er allemaal mee konden doen, zonder echt interesse te tonen in wat de ander liet zien. Net zoals in het echt. Alleen het afronden van zo’n gesprek is nog lastiger dan een telefoongesprek, zeker nu. Want je kan moeilijk zeggen dat je nu toch echt moet vertrekken. Iedereen weet dat je gewoon de hele dag thuis zit. Mijn West-Vlaamse roots verhinderen me om gewoon te zeggen dat ik het gehad heb en ik nu gelijk een zombie verder door Facebook wil gaan scrollen terwijl ik mompel dat mijn kinderen geen ruzie mogen maken. Maar na een toch ongemakkelijk want te lang gesprek waarbij mijn dochter verschillende keren riep “nu zijn we wel héél lang aan het praten hé!” had ik het eindelijk gevonden. “We moeten nu echt stoppen, want we moeten nu naar X bellen!” Et voila! Vakkundig, zonder iemand te beledigen (op z’n West-Vlaams dus) opgelost!

Als mijn man thuiskomt van zijn werk, vlucht ik in mijn eentje ‘t park in. Het regent en onder normale omstandigheden zou ik er niet aan denken me vrijwillig zonder duidelijk doel in zo’n regenbui te begeven, maar ik kan deze keer de deur niet snel genoeg achter me dichttrekken. Het doet zo’n immense deugd. Stilte, zuurstof, natuur, lichaamsbeweging. Het is niet zo druk als de voorbije dagen, maar ik ben toch niet de enige die zich weinig aantrekt van wat regen. Wandelende gezinnetjes, vrienden (dat weet je omdat ze 1,5 meter afstand houden) en veel joggers. ‘t Valt me op hoe er, ondanks de fysieke afstand waar iedereen zich strikt aan houdt, veel meer oogcontact gemaakt wordt dan normaal. Ik glimlach naar de gezichten die ik zie, dat doet dus echt deugd, eens andere gezichten zien dan die van mijn huisgenoten (hoe graag ik ze ook zie). Ik probeer wat op te vangen van het gesprek voor me (mijn eigen gesprekspartners zijn al een week een 4-jarige en een 2-jarige), laaf me aan de roddels die gedeeld worden en probeer me er vanalles bij voor te stellen.

En het valt me hoe verder ik wandel, hoe meer op: zoveel blikken die mijn richting uitgaan. Ik glimlach enthousiast terug, blij dat iedereen wat verbondenheid zoekt met nobele onbekenden in deze bevreemdende periode. Pas na een dik half uur valt me op: mijn kleedje is tijdens het wandelen door de wrijving met mijn jas helemaal omhoog gekropen. Als in, echt helemaal onder mijn jas verdwenen. Ik loop dus rond met paraplu, sjaal & regenjas en daaronder nylonkousen waardoor je sowieso duidelijk mijn onderbroek kan zien. Mijn achterwerk kan je niet makkelijk negeren dus dat hebben de vele mensen die mijn pad kruisten duidelijk niet gedaan. Vandaar dus de blikken. Licht gegeneerd trek ik alles weer op zijn plaats en moedig blijf ik de rest van mijn wandeling oogcontact maken. De mensen glimlachen terug, daar niet van, maar die extra fonkeling in de blikken die ik voor verbondenheid aanzag, blijft uit.

vanop de eerste rij

ze dansten
ze begroef haar neus in zijn nek
zijn geur die haar thuis was en zou blijven, zo hadden ze net beloofd
ze hadden de woorden uitgesproken
de hare zacht en vastberaden, de zijne aarzelend en breekbaar
wij hadden geluisterd, geknikt, geloofd, geklapt
en nu wiegden ze die woorden tussen hen in
heen en weer
ze streelden, koesterden ze, zouden er goed voor zorgen
hij wist zo weinig en toch zo veel
dat hij dit wilde, met haar
dat zij hem kende en toch wilde blijven
het beste was wat hem kon overkomen

we keken vanop op de eerste rij naar hun dans
hun verstrengelde vingers
haar tranen soms en hij die niet wist hoe ze te stoppen
zijn tranen en zij die ze soms niet zag
dan draaide één van hen zich om
of namen ze wat afstand
duwden zachtjes de ander weg
maar ze bleven dansen, wiegen
de woorden door hun warme lijven omringd,
door hun harten gekoesterd

wij bleven kijken, genieten, fronsen, herkennen
vanop de eerste rij
maar op één of andere manier hebben we niet gezien
dat zij op een dag
de woorden alleen droeg
dat hij te ver weg danste om ze nog te horen
in een onmetelijke duisternis, alleen
haar zwaartekracht geen effect meer op hem had
hij niet meer terug kon, wou
zij probeerde nog
maar de woorden te zwaar voor één
glipten weg tussen haar vingers en losten op

we dansen
ik denk aan onze woorden
wat wisten we zo weinig en toch zo veel
we huilen, onze vingers verstrengeld
we wiegen en troosten mekaar
stellen geen vragen, willen geen antwoorden
we weten zo veel
maar ook zo weinig
bang
maar fluisteren als een mantra:
we zullen niet loslaten

nooit meer

dat het nooit meer wij 4 in de zetel zal zijn
jaren met wijn, muziek, vragen en peilen en tranen en troost en stiltes en gelach
jaren van vechten, huilen en omarmen, van humor en genieten
van eerlijk en kennen
en denken dat we hiervoor konden vechten
dat wij konden zorgen dat dit zou blijven bestaan
dat dit altijd zou blijven bestaan

toen werd het wij 3 in de zetel
wij en zij
die eerste keer alleen, huilde eindeloos
onze dochter met grote ogen
nog nooit zo stil
nestelde zich op haar schoot
en bleef daar zitten, als een trouwe hond
wij vol ongeloof, pijn, zoveel verdriet om haar, hem, hun zoon
om ons

wij en hij diezelfde dag
en ik die alleen maar kon zien hoe hij er niet meer was
dat eerlijk en kennen een illusie
hoe wij niet konden vechten en hij niet wilde vechten
wij machteloze toeschouwers
onze vuisten klaar
maar het werden handen die streelden
armen die vasthielden wat gebroken was

wij 2 in hun zetel
ik vanaf nu op zijn plaats
zijn geur nog daar
die hoek gevormd door hem, voor hem
en ik pas niet helemaal
zij kreunt en huilt en is zo mooi
ze rouwt en probeert moedig niet kapot te gaan
en mijn hart breekt
omdat ze valt en ik haar niet kan vangen

zij 2 in onze zetel
onze dochter in haar armen
terwijl ze ook haar eigen zoon wiegt
ze sluit haar ogen
haar gezicht getekend door het vele huilen, nachten zonder slaap,
de pijn, paniek, wanhoop
en toch is ze zo mooi
onze eeuwig onrustige dochter thuis bij haar
hoe ze brak en blijft breken
en toch nog kan geven

hij weer
ik één en al vuist
maar dan die blik, die pijn, die peilloze diepte in zijn ogen
en ik voel alleen maar liefde
en verdriet, zoveel verdriet om wat nooit meer zal zijn

fotomaart-35

logisch

Ze schateren. Dezelfde aanstekelijke lach waar het genot van afspat, dezelfde pretoogjes die ze van hun vader erfden.

Zijn lijfje nog romig en zacht, schreeuwt om geknuffeld te worden. Mijn neus begraven in zijn huidplooitjes, diep inademen, nooit vergeten hoe hij voelt, ruikt nu, hier, op dit moment. Hij slaapt zo graag en veel. In zijn donkere nestje waar hij lang ligt te vertellen en dan ineens overmand, stil. Of in de draagzak tegen mij aan. Die heerlijke sensatie, als ik me plots bewust ben van dat warme lijfje, compleet in rust. Mijn ogen dicht en hem voelen, helemaal. Buik tegen buik, beentjes die me omarmen, een verdwaald handje ergens bij mijn borst, het andere handje tegen zijn wang, zijn ademhaling waar mijn lichaam en gedachten op meedeinen. Zijn hand reikt naar haar mond. Want ah ja, zo’n donker gat dat steeds open en toe gaat, daar moet een hand in. Logisch.

Haar lijf wordt langer, rekt uit, die voeten, dat zijn voeten van een kind. Zo een kind dat naar school gaat, hele dagen zelfverzonnen liedjes zingt, uren met insecten kan spelen zonder ze pijn te doen. Een kind dat een beste vriendin heeft, en nog één en nog één, en ook een beste vriend. Een kind dat klimt, dan even stopt, ‘hoe ga ik dat oplossen?’ en daarna ineens bovenop de brievenbus zit. Een kind dat alleen maar buiten wil zijn. Eindeloos veel kladpapier en stiften en potloden werkloos.
Een huisjesslak haar lievelingsdier. Waarom, vragen we, ‘omdat die een huisje heeft.’ Logisch. ‘Maar nóg leuker zijn naaktslakken.’IMG_20190629_110307_2

lief verdriet

Lief verdriet

We hebben veel tijd samen doorgebracht de laatste maanden. Je zit bij ons in de zetel of ligt ’s nachts plots naast mij in bed. Maar ik zie je vooral heel veel bij haar. Soms ben je zacht. Soms hard en meedogenloos. Je wijkt zelden van haar zij. Soms neem je wat afstand, dat wel, maar je blijft altijd in de kamer.

En ik weet het, je bent nog lang niet klaar om te vertrekken. Ze heeft je gezelschap nog een lange tijd nodig. Maar soms wenste ik dat je haar even met rust liet. Al was het maar één dag. Eén dag zonder jou. Ik wou dat ik het haar kon geven.

Maar dat kan niet, nog lang niet. Dus ik wil je vragen, wees dan zacht. Neem eens wat vaker afstand, gun haar wat rust. Laat haar ademen. Ga niet voor de zon staan als die haar gezicht wil strelen.

Gebruik haar tranen om haar wonden te verzorgen. Zorg dat het niet ontsteekt. Dat haar pijn zuiver blijft. De wonden open zolang dat nodig is.

En als ze er ooit aan toe is, zorg dat ze goed dichtgroeien. Zorg voor mooie littekens die in al hun kwetsbaarheid haar sterkte worden. Versier haar ermee. Heel haar. Want daar ben je voor. En blijf haar af en toe bezoeken. Ze kent je nu zo goed.

Maar doe het zacht.

1 jaar

je lange, krullende wimpers
als wijsvingers die ons wenken:
kom dan
en we komen maar al te graag

aan de borst aai je zachtjes mijn arm
op en neer
alsof je wil zeggen:
je doet het goed mama
een bank vooruit
en een kus van de juf

je voelt geen haast om dingen te leren
’t is goed zoals het is
je blijft graag zitten waar je zit
zolang wij in de buurt zijn
en er genoeg wordt aangedragen
het liefst met touwtjes en lintjes
zodat je vingertjes kunnen wriemelen en frullen

je voelt je nog een pasgeboren baby denk ik soms
hulpeloos en afhankelijk
of een oud ventje
wijs, in rust
en een beetje lui

je voetjes zachte kussentjes
die kusjes vragen
waarna steevast geschater volgt
geschater ook als je moe bent
en zij zich weer eens huilend op de grond werpt
prachtig theater vind je dat
dramatiek ten top
en als ze schreeuwt:
HET IS NÍET GRAPPIG!
dan kom je niet meer bij

en soms, steeds vaker
is daar ineens datzelfde drama
laat je zien dat ook jij pittig kan zijn
dat er ook wel wat vuur schuilt
in die schijnbaar immer tevreden boeddha
wij kennen pittig
wij kunnen dat aan
laat maar komen!

clone tag: -1366306718377907982