We hebben het weer vlaggen. Eergisteren en gisteren kamde ik respectievelijk 12 en 8 luizen uit de haren van het zoontje en ik moet eerlijk zijn, ik genoot van deze reuzevangst. In mijn eigen haren vond ik er slechts 2, wat best teleurstellend was. De laatste jaren werden we ervaringsdeskundigen en intussen gaat het uitkammen hier gepaard met een ritueel. Ik zoek een lange haar (aangezien ik zowat de helft van mijn haar uittrek tijdens het kammen, is dat niet moeilijk) die ik in een cirkel rond de luizen schik. Het duurt dan niet lang voor elke luis op diezelfde haar klimt en rond begint te kruipen. Het lijkt een soort vrolijke carrousel met grote en kleinere exemplaren, die ieder een ander tempo aanhouden en dus al snel tegen elkaar op botsen. Ik hoor ze in gedachten met hoge stemmetjes kazoo spelen of cimbalen tegen elkaar slaan. De meeste luizen gaan dezelfde richting op, maar er zijn altijd een paar tegendraadse beestjes die de andere richting kiezen, dat zijn mijn favorieten. Als ik klaar ben met kammen, heb ik ze nog net geen namen gegeven en met spijt in het hart, stofzuig ik ze dan (allemaal, zelfs mijn favorieten) op. En met evenveel spijt in het hart, moeten de kinderen en ik dan aan de luizenshampoo, wetende dat ik nadien hoogstens nog dode luizen uit de haren ga kammen, die voorlopig koppig weigeren deel te nemen aan het carrouselexperiment. Dat schijnt kenmerkend te zijn voor dode luizen.
Ik lees de gebruiksaanwijzing van het product en het zinnetje “Spoel het haar vervolgens uit met een zachte shampoo” trekt mijn aandacht. Zachte shampoo. Wat is dat? Zou er ook shampoo verkocht worden die pretendeert niet zacht te zijn? “Agressieve shampoo”. Een giftig, bijtend goedje dat je lekker voelt branden op de hoofdhuid. Dat op de adem pakt en slecht is voor je haar én voor het milieu. Met een extra shotje parabenen. Zou daar een publiek voor zijn? Ik kan me er wel iets bij voorstellen. Mensen die vinden dat iedereen tegenwoordig veel te soft geworden is. Dat kinderen gewoon af en toe nog eens een goed pak slaag verdienen. Dat er de dag van vandaag geen echte mannen meer zijn. Dat al dat gedoe over zorg dragen voor de planeet en de medemens complete onzin is. Dat minderheden niet zo moeten zagen. Die de auto nemen om iets te halen bij de apotheek om de hoek en 3 extra plastic zakjes vragen in de winkel. Die dromen van een apocalyptische tijd waarin de aarde bijna compleet verwoest is en de mensheid nog net niet uitgestorven. Want zij leven nog, uiteraard. Gehard door die giftige shampoo die ze al die jaren ter voorbereiding gebruikten. Ronddwalend met een kalasjnikov, klaar voor de constante aanvallen van zombies en buitenaardse wezens. Die nu eindelijk (aan die 3 andere mensen die ook nog in leven zijn) kunnen tonen wat dat is: man zijn. (want ik schreef wel ‘mensen’ maar ik denk toch dat ik eerder ‘mannen’ bedoel)
Ik lach ermee maar ik denk wel te begrijpen waarom er ‘zacht’ staat in die gebruiksaanwijzing. Het woord wil iets goedmaken. Het wil je doen vergeten dat je net een uur lang chemisch spul in je haar en hoofdhuid liet intrekken. Het wil je het gevoel geven dat er iets goed te maken valt.
Taal is een construct. Taal schiet te kort. Taal kan zoveel níet zeggen. Verarmt. Je geeft je gedicht, je brief, je maand een titel en opeens is het enkel dat nog. Je gebruikt een metafoor maar doet jezelf en de ander daarmee zoveel te kort. Je zit naast elkaar in de zetel en zoekt woorden voor die vertwijfeling, dat barstje, die onrust, maar ze bestaan nooit allemaal, de woorden die je nodig hebt. En dus zwijg je. En zakt dat onbeschrijfelijke in een diepte waar je steeds moeilijker bij kan. Dat ongemerkt groeit en zich dan tegen je keert. Niet meer te temmen, niet in een carrousel te vangen, onmogelijk nog op te stofzuigen.
En dan lees je een boek of stapels boeken. Gedichten. Een gebruiksaanwijzing. En tussen al die woorden vind je exact dat wat onbeschrijfelijk is. Niet 1 keer maar wel honderd keren. Op zoveel manieren. En daar zit je dan met dat boek en die lege fles luizenshampoo op je schoot en plots komt dat onbeschrijfelijke naar boven drijven, aaibaar, mak als een lammetje. Het wil alleen nog gezien worden. Vastgepakt.
En er is iemand die schrijft over een “zachte shampoo” na een luizenbehandeling. En dat slaat eigenlijk nergens op. Maar ik wil geloven dat de schrijver daarmee wat troost de wereld instuurt. Dat het een metafoor is. Een metafoor die tekortschiet weliswaar. Die niets verandert aan de toestand van je haren noch aan die van de wereld. Maar toch. Als ik mijn haar was na de behandeling, met exact dezelfde shampoo die ik altijd gebruik, voel ik deze keer de zachtheid, de troost. Ik laat mijn handen met iets meer zorg en aandacht door mijn haren glijden. Ik voel dat er iets goed te maken valt. Dat er misschien een manier is om goed te maken, te verzachten wat je eerst bijna kapot maakte. Niet door de shampoo zelf, maar door dat ene woord, zacht, dat alles verandert. Want ook dat doet taal.
Zondagnamiddag. De zon schijnt ons huis binnen, er wordt een domino parcours gemaakt met Kapla blokken en er wordt geconcentreerd gepuzzeld. Maar niet door mij. Ik kocht een puzzel van 1000 stukjes in de Kringwinkel. Dacht, misschien is het wel fijn om ‘s avonds samen met de kinderen te doen. Misschien word ik daar wel rustig van. Misschien doet me dat goed, dat is toch een ding hé, volwassenen die puzzelen? Wat klassieke muziek op de achtergrond en dan harmonieus met de dochter zoeken en proberen. Lekker meditatief. Zo stelde ik me dat voor. Ideaal voor haar om rustig te worden na een drukke dag vol prikkels en frustraties (“Ik kan niets!”).
Dat bleek helemaal te kloppen. Het gedeelte over mijn dochter tenminste. Maar ik had mezelf eerder fout ingeschat. Wat een vermoeiend en frustrerend karwei is dat eigenlijk, puzzelen? Hoezo meditatief?! Het werd al heel snel duidelijk dat dit toch eerder een projectje voor de man en de dochter zou zijn. Af en toe roept ze me, vraagt of ik er niet even gezellig kom bijzitten. Dat het echt leuk is. Zij rustig neuriend. En dan zit ik daar, 5, 10, 15 minuten te turen, vind geen enkel passend stukje en word daar toch zo ongedurig en slechtgezind van. Liefst van al wil ik dan rechtspringen, “ik kan niets!” schreeuwen en de hele puzzel door de kamer gooien. Ik doe dat natúúrlijk niet. Ik ben volwassen! Ik bewaar mijn cool en zeg nonchalant iets in trant van: dit is zo saai, ik ga iets anders doen. En geef mezelf in gedachten trots een schouderklopje.
Het zoontje zingt op het toilet: ‘Wie vindt kaka lekker? Wie vindt kaka lekker?’ Aan zijn teksten moet misschien nog een beetje gesleuteld worden, maar hij zingt mooi en graag. Ik vroeg onlangs of hij geen muziekschool zou willen volgen. Hij moest daarvoor eerst het fijne weten van die muziekschool. Hoe lang je naar die school kon gaan bijvoorbeeld. Hij vond het bevreemdend dat dit eigenlijk je hele leven kan, als je dat wil. ‘Zelfs tot vlak voor je dood gaat?’ En ‘Zelfs tot jullie gaan verhuizen als ik groot ben?’ Ik wees hem er op dat niet wij, maar hij zelf zal moeten verhuizen als hij groot is. Hij was verward. Keek bezorgd. ‘Moet ik dan alles zelf inpakken of gaan jullie mij helpen?’ Ik verzekerde hem dat we hem dan gerust wilden helpen met het inpakken. De concrete taakverdeling stelde ik liever nog uit, dat vond hij lastig. Maar hij concludeerde, op basis van de verzamelde informatie, dat hij niet naar de muziekschool wilde. Voor je het wist ging je dood, of erger nog: moest je het huis uit en was je alles zelf aan het inpakken. De horror!
Even later hoor ik hem de woordjes oefenen die hij leerde op school. Ik hoor hem hakken en plakken zoals ik mijn andersgealfabetiseerde cursisten deze dagen ook aan het leren ben. Of toch bijna. Ik hoor: z uu s: zuus, k uu s: kuus, v ie s; vies, ie k: iek, m ie k: miek, … Ik wil hem corrigeren: zus, kus, vis, ik, maar weet dat het geen zin heeft want zo leerde hij en zo zal hij het zijn hele leven zeggen. Ik moet denken aan de hevige discussies die we als tieners hadden op kamp toen we voor het eerst hoorden dat die Antwerpenaeren ‘vies’ zeiden tegen een vis en wij overtuigd waren dat onze ‘ves’ de enige juiste uitspraak was.
Hij leerde ook de ‘z’ en vertelt me opgewonden over een superheld, die – wel een beetje slordig maar ja, dat kan je ook niet zo netjes doen als je intussen aan het vechten bent, zegt hij kritisch doch begripvol – overal een z schrijft met zijn sabel. Zorro! Oh nostalgie! Mijn broers en ik hebben daar als kind zo vaak naar gekeken. Ik zoek een oude zwart-wit aflevering op Youtube en kijk er met de kinderen naar. Die intro! Die stem van Diego De La Vega. Zijn snorretje! Sergeant Garcia (van wie ik mijn eerste Engels zinnetje: “open the gates” leerde), de spanning, de muziek! Er vallen meerdere doden, dat maakt op de kinderen toch meer indruk dan dat op mij als kind deed. Op het einde vraagt de schone die door Zorro net uit de handen van de bandieten werd bevrijd, hoe ze hem toch ooit kan bedanken. Waarop hij geen moment aarzelt, haar in zijn armen neemt, uitgebreid kust en dan de donkere nacht in rijdt op Tornado. Zij blijft zwijmelend achter. Ik moet heel hard lachen en de kinderen begrijpen er niets van. Andere tijden.
De dochter heeft op de achterkant van een verkiezingsposter een lijstje met moppen geschreven. ‘Wijs eens naar je neus?’ – wijsneus! ‘Zeg eens groen?’ – Je bent een pompoen. ‘Zeg eens zwart?’ – Je snurkt te hard. Ik leer haar enthousiast mijn eigen favorieten: ‘Zeg eens oranje?’ – Uw onderbroek ligt nog in Spanje. Moeders mopjes worden hier over het algemeen zeer kritisch onthaald, maar ze moeten toegeven, uw onderbroek in Spanje, da’s een goeie! Ik ben nu op dreef: ‘Zeg eens wit?’- Ge zit met uw lief op toilet! Ik moet zelf heel hard lachen, maar mijn kinderen kijken me fronsend aan. Wit, toilet, dat rijmt toch helemaal niet! Dat rijmt inderdaad niet als je wit uitspreekt als “wiet” in plaats van als “wet” lieve kinderen. Ik draai eens met mijn ogen en herhaal de mop in gedachten. In het West-Vlaams rijmt het wél, dus ik gniffel nog eens. Met uw lief op toilet. Haha! Die twee snotapen echter verrekken geen spier.
Ik besluit hen mijn hilarische input verder te ontzeggen, pech voor hen, en duik de tuin in. Er bloeien nog wat zonnebloemen, dahlia’s en Oost-Indische kers. Nog even een tuin vol kleur en groen, schitterend in de oktoberzon. De rozenbottelstruik en zonnebloemen worden druk bezocht door meesjes en het is een genot om hen bezig te zien. Ik stopte her en der allerhande bloembollen in de grond die ik nu probeer te vergeten, zodat ze me in februari kunnen verrassen. In de serre steken de reusachtige tomatenplanten hun allerlaatste restjes energie in nog enkele tomaten, terwijl ze al geel kleuren en het proces van afsterven reeds in gang is gezet. Ik besluit dat het goed geweest is en sleur ze naar buiten, ze gaan de groencontainer in en de serre lijkt ineens zoveel lichter en ruimer. Ik hang de planken terug en geef er mijn aardbeienplantjes een plekje. Ik ben er wellicht veel te laat mee, maar besluit de vele uitlopers nog te stekken. Ik veeg mijn serre nog even schoon en kijk tevreden naar het resultaat.
Het zonnetje schijnt binnen en het ruikt heerlijk naar herfst. Ik zie het al helemaal voor me. Ik ga hier, in het allermooiste herfstlicht, tussen de aardbeienplantjes, de komende maanden veel tijd doorbrengen. Een dekentje, een boek, een schrift. Lezen, schrijven en wegvluchten van puzzels en dat Antwerpse gespuis dat maar al te graag de spot drijft met hun West-Vlaamse moeder. Dát is nu eens rustgevend en meditatief!
Ik zing al de hele week de altlijn van een Italiaans nummer dat we inoefenden in het koor. Al heb ik geen bijzondere stem noch talent voor al die vreemde talen (intussen is de tekst die ik zing dan ook een compleet verzonnen doch nog enigszins Italiaanse klinkende versie van het origineel), melodieën nestelen zich zeer snel in mijn hoofd en blijven daar vlotjes – en ook iets te hardnekkig – hangen. Intussen kwam deze altlijn al zo vaak langs dat die voor eeuwig in mijn geheugen gebrand lijkt.
De kinderen zijn allebei op kamp met hun klas, dus na het werk moet ik helemaal nergens zijn en is er niemand die mij nodig heeft. Wat een genot.
Ik fiets naar mijn favoriete tweedehandswinkel. Sinds ik ontdekte dat er in Antwerpen 5 van zijn, koop ik uitsluitend nog mijn kleren daar. Hoe fijn is het om daar te winkelen: er staat goeie muziek op, iedereen is lief en lijkt even verstrooid dromerig als ik me daar meestal voel. De winkels zijn klein, er hangt een ontspannen sfeer, ik glimlach naar iedereen en iedereen glimlacht terug. Na een snelle scan heb ik meestal een 3-tal leuke kledingstukken uitgezocht waar ik na het passen één van koop. 10 minuten duurt dat dan, niet langer en vandaag is alles aan vijf euro. Alles wat ik tegen shoppen heb (die geur! dat lawaai! te groot! ik vind de roltrap niet! te veel keuze! te veel mensen! te duur! te goedkoop! waar zijn de pashokjes? dat gebiep! ik vind de uitgang niet! ik wil hier weg!) vervalt hier.
Ik spot al snel een leuk vestje en juich inwendig als het mijn maat blijkt. Bij de pashokjes roept een vrouw verrukt dat de schoenen passen! Mensen kijken op. Ze vertelt aan iedereen die het wil horen dat dit een prachtige dag is. Een topdag! Ze vond net al een goede regenjas én nu ook nog deze wandelschoenen. En dat voor vijf euro! Ze praat luid en opgetogen en wij lachen allemaal met haar mee. Ik voelde een gelijkaardige verrukking toen ik dat mooie vestje vond en ben nu lichtelijk jaloers op het feit dat zij ons zo ongegeneerd deel maakt van haar vreugde. Aan de kassa zegt ze nog: je weet natuurlijk niet of het een koude winter wordt, maar “we zin veurberaaid!” En ik knik bevestigend. Ik ben oprecht blij dat zij, áls het een koude winter wordt, haar dikke winterjas en wandelschoenen zal hebben. Ik zou bijna een strenge winter wensen, alleen voor haar. Vrolijk stap ik buiten.
Ik wil nog even naar een andere winkel, die met de twee kruiden in de naam. Ik heb daar niets nodig maar in mijn klas zit een jongeman die naar die winkel ruikt. Telkens als ik bij zijn tafel kom, moet ik me inhouden om niet plots ongecontroleerd in zijn nek te gaan snuffelen. Ik heb iets met geuren. De man noemt me wel eens de bloedhond. Andere deo, een uur daarvoor chips gegeten, kleren die een jaar in de kast hebben gelegen en nog naar een vorig wasmiddel ruiken, ‘s avonds een vaag parfum van iemand die hem die ochtend een knuffel gaf, stiekem ergens fastfood gegeten, ik ruik het allemaal! Maar zoals je dus dat drankje wil kopen dat je net onbewust in een film zag passeren, zo wil je blijkbaar ook naar die winkel als je cursist er naar ruikt. Misschien leveren ze wel aan het asielcentrum, waar hij verblijft, en zit daar een hele marketingstrategie achter. Zó strikken ze die onwetende, argeloze lesgevers Nederlands dus in hun netten!
Tot mijn lichte weerzin is er al een hele afdeling kerstartikelen te vinden. Het is eind september en ik hou van de herfst en de waanzinnig lekkere geur die nu in het park hangt (een geur die zelfs de winkel met de twee kruiden nooit zal kunnen vangen). Toch ben ik ook nog niet helemaal klaar met de zomer. Mijn tuin probeert me wat te helpen, ik zaaide 2 keer zonnebloemen, 1 keer in mei en 1 keer eind juli. De eerste zijn nu bijna uitgebloeid en worden dagelijks bezocht door een troep halsbandparkieten die ervan smullen. De tweede groep zonnebloemen begint, geheel volgens plan, nu pas te bloeien, machtig is dat!
En toch is het eind september en ruikt het, zelfs in mijn tuin, ontegensprekelijk naar herfst. En dat terwijl het gisteren lijkt dat de man en ik gingen trekken met de tent op de rug langs de Opaalkust, dat we later met ons vier in het schitterende Basel met het kabelbootje vol vlaggetjes de Rijn over staken, we prachtige bergwandelingen maakten tussen de stieren (waar enkel ik bang voor was), onze kinderen in het airbnb-huisje ‘s morgens in stilte of zacht zingend met Kapla speelden terwijl wij uitsliepen, waardoor de eigenaars dachten dat wij zo’n goeie ouders waren (HAHAHA). Dat we met mijn broer, schoonzus en de lieve nichtjes in die prachtige villa aan het Lago Maggiore arriveerden. De villa mét piano die helemaal de sfeer van mijn lievelingsfilm ‘Call me by your name’ uitademde. Helaas speelt niemand van ons deftig piano waardoor er de hele week dat ene zelfde melodietje weerklonk dat een onbedachtzaam iemand (ik noem geen namen) de kinderen de eerste dag leerde (oké ik beken, ik was het). Waar ik de was, die bijna instant droogde in de hete lucht, ophing, geassisteerd door mijn zoontje die met een stokje de onderbroeken uit de mand viste en me aanreikte. Waar de schoonzus me diep ontroerde terwijl ze zong en ukelele speelde, de koffie hemels smaakte, het water helder blauw, de hangmatten zacht en uitnodigend.
Ik kan, nagenietend van de zomer, gerust aanvaarden dat het herfst is. Uitkijken zelfs. Naar die zachtige, zonnige herfstdagen buiten waar qua kleuren en geuren eigenlijk niets aan kan tippen. Maar zo’n afdeling vol kerstartikelen is er over, lieve winkelmetdetweekruiden. Er los over. Ondanks de geur en de rustgevende klassieke muziek, besluit ik er uit stil protest niets te kopen. Daar gaat hun hele marketingstrategie. HA! Mij hebben ze niet liggen!
Ik adem nog even diep en genietend in voor ik de winkel verlaat. Buiten kan ik de herfst weer inademen. En vanavond snuffelen aan mijn stinkende kinderen die thuis zullen komen van het kamp. Dat zijn de enige momenten waarin deze bloedhond kan genieten van stank. Sterker nog, als ik zou moeten kiezen, kies ik altijd die stinkende kinderen vol verhalen, luizen, zand, de snotneuzen tegen mijn wang, de zwarte nagels, de zweetvoeten. De huil- en woedebuien door te weinig slaap en te veel prikkels neem ik er ruimhartig bij. En morgen kan ik dan ter compensatie weer onopvallend aan mijn cursist snuiven terwijl ik hem toon hoe hij de ‘u’ moet schrijven.
Als ik toch nog wat zomer wil, heb ik mijn zonnebloemen. En ik kan natuurlijk ook altijd nep Italiaans zingen en me zo in het broeierige gezelschap van Thimothée Chalamet wanen. Maar laat de kerst en winter alsjeblieft nog maar even wachten.
je knort tevreden of klopt bijna uit mijn lijf zo luid
je voelt zacht en zoemt als een dikke domme bromvlieg die op zondagmorgen telkens weer tegen het raam botst daar waar de eerste zonnestralen net laten zien hoe stoffig en vettig mijn ramen eigenlijk zijn
dan weer heb je plooien, zoals mijn wang bij het wakker worden als ik de hele nacht op dat hoekje van het laken sliep, en in die kleine afdalingen sijpelt droefenis en stil verlangen
je krult je op als een oh zo breekbaar, krokant herfstblaadje of je bent nieuwsgierig en zo speels, maar ik laat je niet vaak, en dan scharrel en schraap en trappel je van ongeduld
je verdwaalt bijna voortdurend, laat je afleiden en wegvoeren en ik wil niet altijd volgen
soms ben je een klein meisje en dan wieg ik je want je bent zo wijs en fragiel en heelt zo traag en waarom vergeet ik dat steeds weer
soms kijk ik voorzichtig over mijn schouder in de spiegel en ik zeg ik zal beter voor je zorgen en je klopt altijd
Vanmorgen ben ik met de dochter en wat kussens en boeken achter in de tuin gaan liggen. Dat de dochter op eigen initiatief wil lezen, is uitzonderlijk, dus ik genoot van dit momentje samen met haar. Gisteren lag ze bovenop de kast met haar koptelefoon op, zachtjes meezingend met Pommelien Thijs. Een zeldzaam moment waarbij ze even op zichzelf was. Verder kan ze heel moeilijk alleen en bij zichzelf zijn. Het liefst van al staat ze constant in contact met anderen. In de klas is dat in voortdurende interactie met de klasgenoten, ook als er eigenlijk geconcentreerd en individueel gewerkt moet worden. Thuis wil ze altijd bij één van ons zijn, het liefst ook fysiek op een schoot of tegen ons aan. Dat is veilig, dan is ze gerust. Al als baby wilde ze voortdurend gedragen, gewiegd en gerustgesteld worden. Even ergens neer liggen was gelijk aan gevaar en maakte haar angstig en hysterisch. Maar muziek mag nu wel af en toe haar gezelschap zijn. Het helpt haar om even te focussen, zich af te sluiten van alle prikkels die ze zo graag allemaal en het liefst tegelijkertijd in zich opneemt, maar waar ze ook ontzettend onrustig van wordt. Boeken hebben dat effect nog niet, ze zijn nog een verplicht nummertje wat mijn lezershart pijn doet, maar ik kan niet anders dan geloven dat ze het genot van het lezen nog wel zal ontdekken. Ik probeer in ieder geval zelf wat vaker verzonken in een boek in beeld te komen, in plaats van eeuwig scrollend op dat vervloekte schermpje. We blijven ook elke avond voorlezen, want dát vindt ze wel heerlijk en aan boeken als ‘De gebroeders Leeuwenhart’ of ‘Ronja Roversdochter’ beleven wij minstens evenveel plezier.
Waar het zoontje was wist ik niet eens. Die kan dan weer ontzettend goed alleen met zichzelf zijn. Dwaalt verstrooid het huis en de tuin rond, zacht zingend, pratend of druk gebarend. Komt achterwaarts de trap af, trekt verwoed aan een imaginair touw, heeft plots oorwarmers op of verzamelt schatten die hij dan in zijn nachtkastje legt. Die schatten zijn onder andere een selectie van de mooiste servetten die hij her en der wist te verzamelen, 3 paar van zijn lievelingskousen (voor alle zekerheid want moeder is compleet onbetrouwbaar wat het wassen van zijn kousen betreft), tampons in 3 verschillende kleuren, een bouillonblokje (want het papiertje is van goud en het blokje lijkt op chocolade), een enorme stapel papieren zakdoekjes, een uitgebloeide korenbloem, een tandenborstel en twee paperclips.
Nu rende hij ons gehaast voorbij, merkte niet eens op dat we daar lagen te lezen. Het gras prikte tussen onze tenen en de bijtjes vlogen luid zoemend over op weg naar de phacelia, de goudsbloemen en reukerwten die naast ons uitbundig bloeiden en geurden. Ik lees het prachtige ‘Moderne natuur’ van Derek Jarman. Ik had wat moeite met afscheid nemen van ‘Onder een andere hemel’ van Joke Hermsen, een boek dat vanalles in me heeft losgemaakt, maar afscheid nemen is dan ook niet mijn sterkste kant. Het boek leerde me een verlangen naar het onbekende, dat al zolang in mij huist, te herkennen en erkennen. Het woord vertepijn, of nog beter ‘fernweh’, ontroert en omarmt me. Het is een gevoel dat me zo eigen is en me ergens ook in een soort eenzaamheid hulde al die tijd. Maar nu bestaat er een woord voor en dus ben ik niet alleen, er zijn nog zielen die rondlopen met die rusteloosheid, dat hunkeren, die mix van spijt en verlangen. Die fernweh, het altijd blijven zoeken naar (en nooit echt vinden van) een ‘heimfallen’, verbíndt mij dus net met anderen. Nu het een naam gekregen heeft, voel ik het opeens ook zoveel sterker. Het zit in mijn vingers, mijn hart voelt zwaarder, tranen wellen voortdurend op en tegelijk voelt het zo zacht. Ik voel hoeveel schoonheid er in dat gevoel zit, hoeveel schoonheid er voort kan vloeien uit dat verlangen. Er hangt een zachte wolk van weemoed om me heen. Iets doet pijn, maar het is zachte en soms zelfs gelukzalige pijn. Er is gemis maar het doet me deugd zo te mogen missen. Ik heb mijn intense gevoelsleven zo vaak vervloekt maar de laatste dagen proef ik vooral de rijkdom van al dat voelen.
Hermsen schrijft: “Iets ontbreekt, wat ook in het schrijven niet kan worden ingelost. Want zelfs als de taal de woonstee van de mens is, dan herbergt deze schemerige nissen, afgesloten kamers en duistere, onbekende plekken op zolder. Dat huis is bovendien gebouwd boven op de terra incognita van onze vroegste kindertijd, dat altijd vreemd terrein voor ons zal blijven. Maar als we ergens een raam openzetten en ons ‘naar buiten dromen’ en een briesje langs ons gezicht voelen strijken, weten we dat er oneindig veel meer is dan we op dat moment kunnen zeggen. Juist dat ‘meer’ wakkert het verlangen aan om door te schrijven. Nooit kunnen we zeggen dat we voorgoed ergens thuis zijn gekomen en dat er niets meer ontbreekt.” en “Juist in het ‘onbeschikbare’ schuilt de mogelijkheid om geïnspireerd te raken, ervaringen die hij in de kunst, muziek en literatuur, maar ook in de verwondering over de natuur terugvindt.”
Maar nu lees ik dus ‘Moderne natuur’ van Derek Jarman en het is het afscheid van ‘Onder een andere hemel’ waard want het is weer een schot in de roos. “Wie tuiniert spit in een andere tijd, zonder verleden of toekomst, begin of eind. Het is een tijd die de dag niet opsplitst in spitsuren, lunchpauzes, de laatste bus naar huis. Wanneer je de tuin in loopt, glip je die tijd binnen: het moment waarop je hem betreedt laat zich niet herinneren. Om je heen is het landschap veranderd. Hier bevindt zich het Amen na het gebed.” Het kan niet toepasselijker zijn op alle uren die ik het voorbije half jaar in de tuin heb doorgebracht. Mijn tuin was mijn redding in een hele donkere periode. Ik kon de achterdeur achter me dicht trekken en vluchten, mijn rusteloze handen een doel geven, mijn verwarde hoofd een focus, ik kon creëren, uitkijken, eenvoudige handelingen uitvoeren waar zoveel belofte en hoop in lag.
En nu ben ik, na een hele dag rommelen in die tuin, te midden van alle weelde gaan zitten. Weelde die ik gecreëerd, gecomponeerd heb in die donkere maanden. Achter me de kleine serre, waar we intussen bijna alle aardbeien hebben opgepeuzeld en de plantjes nu volop uitlopers in het rond schieten op zoek naar nieuwe grond om te wortelen. Waar de joekels van coeur de boeufs maar blijven groeien en steeds meer kerstomaatjes plukrijp zijn. Telkens als ik enkele tomaatjes – de perfecte kleur rood en verleidend glanzend – in mijn handen voel vallen, denk ik: ik moet ze bewaren voor de huisgenoten. Maar nog voor ik de keukendeur open, heb ik ze met veel genot en gezucht naar binnen gespeeld. Mijn moeder zegt altijd dat eten zoveel lekkerder is als iemand anders voor je gekookt heeft. Bij zelfgekweekte tomaten is absoluut het omgekeerde waar. Ze kunnen onmogelijk zo hemels zijn als ik vind dat ze zijn. Als ik diezelfde tomaatjes uit een bakje van de supermarkt zou proeven, zou me nauwelijks opvallen hoe ze geuren en hoe rijk en zoet en sappig ze zijn. Ik zou ze nooit met dezelfde aandacht en focus naar binnen spelen. En ik zou niet langs mijn neus weg aan de jaloerse echtgenoot vertellen hoe lang ze nog nasmaken naar de warmte en de geur en de sfeer van de serre. En als die coeur de boeufs nu eindelijk ophouden met groeien en de juiste kleur gekregen hebben, zal ik ze opensnijden met zoveel genot, hun sappige vlezige binnenkant bewonderen en iedereen zal horen hoe heerlijk ze smaken, zelfs al vallen ze dik tegen.
Links naast me drie grote zonnebloemen die nog net niet bloeien maar al bijna onder hun eigen gewicht bezwijken en daartussen korenbloemen en strobloemen, die laatste in wel vijf verschillende kleuren. Rechts van mij, om het hoekje van de serre (ik zie ze niet maar ruik ze wel) manden met basilicum en munt. Voor me de lavendel die ik vroeg in lente samen met de dochter op verschillende plaatsen aan de rand van het weggetje heb geplant en die nu prachtig bloeit. De bijtjes zoemen heen en weer tussen de lavendel en daarachter de vlinderstruik. Ik had die in maart nog helemaal kort gesnoeid maar de plant staat er nu groots en majestueus bij en bloeit in intens donkerpaars. Niet dat fletse paars van de meeste vlinderstruiken die ik zie aan de kant van de weg. (Je weet wat ze zeggen: eigen vlinderstruik, mooie vlinderstruik) Ik zag er al zoveel soorten bijen, vliegen, hommels en vlinders zich aan tegoed doen.
Wat verder rechts de uitgebloeide slaapbollen, wiens zaadbollen loom wiegen in de wind. Daarvoor de frisse, felle goudsbloemen, het komkommerkruid, de bolderik en de phacelia, bijna volledig uitgebloeid. In het hoekje bij het kippenhok heb ik een andere soort goudsbloem gezaaid, a touch of red, en ik kan niet wachten tot ik de zaadjes kan oogsten zodat ik er volgend jaar een veldje vol van kan zaaien. Ze vallen minder op maar kleuren zoveel zachter, geschakeerder en subtieler dan hun feloranje soortgenoten.
Terwijl de man daarnet naar zonnevlekken keek door zijn telescoop, plukte ik een boeket van korenbloemen, goudsbloemen, reukerwten, cosmos en voegde wat zaaddozen van uitgebloeide juffertje-in-het-groen, slaapbol en klaproos toe want hoe mooi zijn die toch. Daarna verzamelde ik de uitgebloeide klaprozen, bolderik, goudsbloemen, slaapbollen, korenbloemen en cosmos. Terwijl de zaaddozen en het zaad in de keuken liggen te drogen, heb ik alweer zoveel ideeën over hoe en waar ik ze in de lente ga zaaien, welke combinaties mooi zouden zijn en waar ik nog wat bloemenveldjes bij kan creëren. Ik heb mezelf nooit echt creatief gevonden, maar ik blijk wel groene vingers te hebben en kan maar niet geloven dat deze prachtige tuin het resultaat is van wat gepruts en proberen aan mijn kant.
Het is een moeilijk jaar geweest maar ik zit nu midden in mijn uitbundige tuin, ik hoor een merel zingen en dat ontroert me altijd, de man leest een boek, de dochter hangt tegen hem aan, het zoontje geeft de bloemen water met zijn imaginaire gieter. De eerste zonnebloem, naast de vlinderstruik, bloeit al en dat belooft want ik heb er een tiental her en der verspreid staan in de tuin.
Jarman schrijft over zijn tuin: ‘Afgezien van dat knagende verleden – film, seks en Londen – ben ik nog nooit zo gelukkig geweest als de afgelopen week.’ Hermsen schrijft: “Nooit kunnen we zeggen dat we voorgoed ergens thuis zijn gekomen en dat er niets meer ontbreekt.” Ik leerde die gedachte – er zal altijd iets ontbreken – de voorbije weken aanvaarden, en net daardoor ontbreekt er af en toe, nu bijvoorbeeld, helemaal niets.
mag ik een traan laten omdat het kippenhok leeg is de kippen gisteren doodgebeten en ik vanmorgen uit gewoonte toch de tuin in liep om hen wat restjes te geven (‘hoe gaat het met mijn schatjes?’) en ze me dan, terwijl ik kippenstront schep vragend lijken aan te kijken (‘goed en met jou?’) en ik dan altijd even voel hoe ik me voel en dat nu niet weet
mag ik het volledige uur bij de psycholoog aan mezelf wijden míjn zoektocht mag ik huilen om de mist om wat vast zit een vuist ergens in het centrum die maar knijpt omdat ik de luxe heb in een land te wonen waar tijd en ruimte en geld is voor zo’n persoonlijke zoektocht
mag ik in de klas ‘ik ben triest’ ‘ik heb stress’ aanleren en als het dan over de hel gaat, die Gaza heet over Soedan over Syrië de klas zich lijkt te vullen met tranen en verdriet en pijn we met z’n allen overspoeld en ik hen nooit de woorden zal kunnen leren om dat te beschrijven omdat ze niet bestaan en dus maar benadruk dat het ‘ik ben’ en ‘ik heb’ is en niet andersom
en mag ik er dan de stop uit trekken overgaan naar het weer zodat het wegstroomt we weer ademhalen opgelucht want ze moeten toch leren hoe graag we hier over het weer praten ‘het regent’ de grootste bekommernis
mag ik wegkijken van de beelden omdat ze veel te diep snijden mag ik het geluid dempen van die huilende, radeloze kinderen mijn oren sluiten voor hun doodsangst hun ondraaglijke pijn en verdriet zo oeverloos omdat mijn moederhart het niet kan dragen
mag ik mijn hart ophalen aan de zeldzame zonnestralen en de bloemen in de tuin de struik vol frambozen in wording mijn serre vol tomatenplanten mag ik genieten van het dieven die takjes tussen wijsvinger en duim wrijven en die geur heerlijk vinden?
mag ik me laten troosten door die ene klaproos die groeit op een plek omringd door beton waar voortdurend zware bussen langs denderen een plek waarvan ik zou zweren dat daar nooit leven kon groeien laat staan een bloem zo mooi zo kwetsbaar zo perfect
mag ik op zoek naar ontroering en verwondering daarover schrijven als voor zoveel mensen de realiteit alleen maar gruwelijk is en ontroering en verwondering een verre droom
mag ik mijn rug draaien naar zij die monsters genoemd worden maar ook een hart hebben dat bloed pompt die ooit een moeder hadden bij wie ze op schoot gewiegd werden omdat ze zo klein en kwetsbaar waren
die vergeten zijn of nooit geleerd of begrepen hebben dat mens-zijn is: ontzettend kwetsbaar zijn en je toch veilig weten dankzij de ander
mag ik mijn rug draaien naar wie dat vergeten is (het zijn er veel) en mag ik kijken naar die duizenden, miljoenen mensen op straat (het zijn er veel meer) naar hoop, moed, kracht en kwetsbaarheid mag ik huilen van ontroering omdat ze met zovelen zijn omdat de meeste mensen deugen en dromen van strijden voor desondanks nog steeds geloven in een wereld waar je ontzettend kwetsbaar mag zijn en je toch veilig weten dankzij de ander
Het zoontje heeft op mijn terugkomst gewacht. Beslist in een zeldzame vlaag van moed dat ik zijn losse tand er uit mag trekken. Een tand minder en bijna 2 uur huilen later (eindelijk weer wat ontladen in moeders armen) speelt hij, plots enkel in onderbroek en met oorwarmers op, in de tuin. Hij heeft een lange stok vast, zwaait wild in het rond terwijl hij heen en weer rent. Zoals altijd druk aan het praten tegen zichzelf of tegen een imaginair publiek, wie zal het zeggen. Hij is vorige week 6 geworden en er mocht absoluut niet voor hem gezongen worden. Feliciteren was wel toegestaan maar we moesten niet overdrijven. De twee beste cadeaus die hij gekregen had, waren de chocopot van oma en de lelijke, roze oorwarmers die ik voor een halve euro in de Kringwinkel vond. Zijn geluk kon niet op.
Ik lig in de zetel met zicht op de tuin en de dochter heeft zich in mijn armen genesteld. De eerste jaren van haar leven had ik bijna dagelijks dat gevoel: die verwondering, dat ongeloof, hoe het toch mogelijk was dat dit mensje in mij was gegroeid, dat ze deels mij wás, zo broos, zo verbijsterend mooi, zoveel pure onschuld en ontroering in mijn armen. Het was soms bijna ondraaglijk.
Nu is ze acht en een prachtige, vurige, gevoelige wijsneus. Ze ligt tegen me aan, vindt geen goeie plek want mijn arm en schouder zijn te hard maar ze blijft toch liggen. En daar is het gevoel weer, nu ik haar een week niet gezien heb, die schok van ontroering en ongeloof, dat wij dit prachtige kind hebben gemaakt. Wisten wij veel dat we dit konden, dat er zoveel schoons kon groeien uit onze twijfels, ons verlangen, onze pijn, ons onvermogen. Uit ons.
Ik sluit mijn ogen, zie de smalle straatjes van Lissabon voor me, voel de honderden trappen die we beklommen in mijn kuiten, ik hoor de hartverscheurende Fado, het zangerige Portugees hangt nog rond me en ik proef de zoete pastéis de nata op mijn tong. Ik heb alles weer gretig in mijn hart gesloten en dan is gemis onvermijdelijk.
Het zoontje komt binnen. Hij neuriet, duwt zijn voorhoofd tegen het mijne. “Geen zoentjes geven!”, roept hij al bij voorbaat. Hij kent me, hoezeer ik zijn wens (NOOIT OF TE NIMMER ZOENTJES GEVEN) ook probeer te respecteren, dat smoeltje zoenen gaat vanzelf, dat is een reflex, geen bewuste handeling. Ik bekijk hem van dichtbij, opeens staat zijn neus vol sproeten, net zoals het park opeens groen geworden is en de tulpen en de azalea’s in bloei staan. Of hoeveel er kan veranderen in één week. Sproeten waar ik instant waanzinnig veel van hou, en oh wat valt het me zwaar dat ik ze niet mag bedelven onder mijn zoenen.
Hij zucht blij: mama is terug. Ik ben tevreden en weemoedig. Ik koester wat ik heb, mis wat voorbij is en verlang naar wat ik nog niet ken. Geen woord dat ik beter denk te begrijpen dan saudade.
er is de vroege ochtend en het licht traag de tuin in zien sluipen er is de jongen in zijn onesie op zijn laarsjes in het kippenhok het meisje in mijn armen gevleid dat zegt: nog heel even en een moeder die denkt: of altijd? er is tijd, er is wachten, er is niet-doen
er is pijn die van zacht naar scherp van zacht naar scherp er zijn kussen op zachte wangen en op vochtige lippen die gewillig openen
er zijn brutale tranen op de fiets ze komen als ze daar zin in hebben onuitgenodigd en onaangekondigd iemand zegt iets over een midlifecrisis er zijn jonge, groene blaadjes een park vol magnolia’s in bloei en elke dag de man met de twee bananen het bandje van zijn rugzak zit gedraaid in gedachten draai ik het goed zodat het niet zo knelt aan zijn schouder wrijf even over zijn rug hij zwaait naar mij
er zijn twee kinderen lang na bedtijd met een lantaarn in het donker op de trampoline er worden handen gewassen en het meisje zegt: ik heb het gevoel dat het zo’n dag was waarin we echt álles hebben samen gedaan, en de jongen die dan zegt: ja, dat was echt héérlijk
er zijn handen, een boek, er is een vol schrift en een leeggeschreven pen, schoenen vol modder, een groene gieter en gemorste verf op een tegel er is zonlicht en er zijn honderden vogels er is tijd, er is wachten, er is niet-doen
er is de vrouw die Nederlands spreekt aan de telefoon, Engels tegen haar ene hond en Frans tegen de andere er zijn twee gasten op de step met harde stem en onbewogen blik en de armen van de achterste innig rond het middel van de voorste geklemd de kledingkeuze van mijn dochter waarbij alles met elkaar vloekt en het resultaat toch prachtig is er is de cursist met een roze pennenzak vol glitters en een kaft met paarden van zijn dochter die geconcentreerd een oefening maakt er is iemand gebogen en wankel van de drank en of zorgen in de gietende regen met regenjas en kap op maar die rits is open en ik wil graag stoppen en zorgzaam haar jas dichtritsen tot – even omhoog kijken – helemaal boven
er is zoveel waanzinnig goeie muziek en de patroontjes en kleuren op de strijkparelwerkjes van de jongen
er is hout dat in stukken wordt gezaagd iemand bouwt iets op, iemand breekt iets af er is verlangen en missen en er is weerzien er is landen op een zacht tapijt vol kleur en soezen in de zon een ronkende motor in de verte en een haan die kraait en er zijn nieuwe tranen bij het bestellen van een broodje met pitjes er is een vrouw met hond die vrolijk heen en weer zwaait met een zakje kak als was ze roodkapje met een mand vol koekjes er is pijn die van scherp naar zacht van scherp naar zacht er is tijd, er is wachten, er is niet-doen
er is iemand die desondanks tijd en ruimte gaf en tijdens het wachten een serre bouwde waar ik nu kan zaaien en schrijven, badend in het licht luisteren hoe alles gewoon gebeurt hoe oneindig schoon het zingen van een merel mijn stoel die over de grond schraapt een mier die ploeterend maar vastberaden de voor hem eindeloze werkbank oversteekt er is potgrond onder mijn nagels de stilte en de ademhaling er is tijd, er is wachten, er is niet-doen en dan is er plots leven
er is steeds weer verdwijnen in die ene luide gedachte opgeslokt door dat ene gevoel dat alle aandacht opeist er is de illusie van schaarste steeds opnieuw
er is achteruit stappen omdraaien driehonderdzestig graden horen, voelen, zien, lezen er is de illusie van schaarste maar er is altijd meer dan genoeg
Als kind was het mijn lievelingsmaand want ik ben dan jarig. Blijkbaar was één dag in het middelpunt van de belangstelling mogen staan, genoeg om een hele maand tot lievelingsmaand te kronen. Toen ik ouder werd en jarig zijn wat van zijn magie begon te verliezen, ontdekte ik wat een lastige maand februari is.
Februari beweegt niet, of toch nauwelijks merkbaar. In februari wacht je. Het is een maand van stilstaan. Je wil niet meer omkijken want de duisternis die achter je ligt, wil je zo snel mogelijk vergeten. Je wil alleen vooruit nu. Meer licht. Meer leven. Meer buiten. Bloemen zaaien in de tuin. Je bent vreselijk ongeduldig.
Maar dat is buiten februari gerekend. Februari grijpt je bij je kraag als je voorbij rent. Duwt je op een stoel en dwingt je tot wachten. Zitten en wachten. Omdat niet alles snel kan gaan. Als je lente wil, dan moet je eerst door februari. Want soms is er alleen maar tijd nodig. Soms kan je niets doen om het beter te maken behalve wachten. Ook al voelt het alsof er niets verandert, dag na dag. En je wil zo graag verandering. Je wil groei. Je wil hoop.
Enkele jaren geleden besloot ik februari een titel te geven. Ik doopte het tot ‘maand met het mooiste licht’. Ik vond het fijn dat ik dat zomaar kon besluiten en geloven. Februari, trots op die pas verworven titel, veranderde voor mijn ogen.
(Later merkte ik dat niet februari maar oktober de maand is met het mooiste licht. Maar oktober heeft geen titel nodig. Oktober is beminnelijk. Oktober beweegt, verandert, koestert en danst. Oktober ademt melancholie en verlangen uit. Het is een maand die de voorbije maanden over zijn schouders heeft gedrapeerd, als een deken en daar dan mee pronkt. Omkijken is nog niet nodig. Het is nog vers genoeg, je voelt en beleeft de voorbije zomer nog terwijl je vooruit gaat. Pas in november kijk je om, pas in november word je zacht en triest. Neem je afscheid.)
Het is dus tijd nu voor die maand van stilstand en traagheid. En ik ga proberen om februari zijn werk laten doen. Want de zichtbare, vermeende stilstand betekent ook dat er onder de oppervlakte voorbereidend werk begonnen is. Ik ga me overgeven aan de tijd. Vertrouwen dat, ook al voel ik soms weinig hoop, ook al ben ik vreselijk ongeduldig omdat ik zo graag groei en beterschap wil, deze maand van wachten nodig is. En vanuit die stilstand, vanuit dat wachten en vertrouwen dat de tijd zijn werk gaat doen en dat de lente komt, ga ik zoeken naar het mooiste licht. Het licht dat februari met veel trots gaat presenteren. En dat gaat een pak beter als je niet aan het rennen bent.
(Oh en ik ga februari natuurlijk ook een beetje de loef afsteken. Want enkel en alleen wachten, dat is nu ook weer niet aan mij besteed, hoe mooi ik het hier ook kan uitleggen. Vandaag heb ik voor het eerst weer in de tuin gewerkt. De dochter zat te zingen met een kip op schoot, het zoontje gilde van plezier op de schommel. Ik heb bedacht wat ik waar en wanneer ga zaaien zodat ik weer een tuin vol bloemen krijg. Zo vroeg mogelijk én zo lang mogelijk. Ik heb een heel ondergronds netwerk van netels opgerold. De kippen gelukkig gemaakt met elke regenworm die ik kon vangen. En ik ga binnenkort alvast wat bloemen voorzaaien in de keuken, waar het warm en licht is. Nog even en het staat hier vol zaaipotjes met klaprozen, cosmos, lupine, korenbloemen en slaapmutsjes. Allemaal vorig jaar zelf geoogst. Die groei ga ik toch mooi al van dichtbij kunnen zien – in your face, februari! En dromen van een tuin vol bloemen. Het is niet omdat ik nog niet mag rennen dat ik niet al kan dromen van hoe het voelt om te rennen. Ofzo.)
iemand gaat weg iemand geeft een hand iemand knikt, aarzelt, kijkt nog even om iemand kijkt niet meer om iemand slaat de deur hard dicht iemand zegt zacht ‘bye’ iemand heeft tranen in de ogen iemand zegt: ik zie je graag, je weet het hé iemand slaat de armen om je heen, drukt je zo stevig tegen zich aan dat een kreun ontsnapt iemand aait over je hoofd iemand kust je licht op de wang iemand kijkt al weg nog voor je de deur uit bent iemand huilt tranen met tuiten iemand zwaait tot je de straat bent uitgefietst iemand slaat de armen om je heen, ruikt naar lavendel en ademt in je oor iemand gooit een kushand iemand heeft spijt iemand heeft nergens spijt van iemand geeft je nog een boterham voor onderweg iemand haalt zijn schouders op iemand houdt het graag kort iemand blijft het maar uitstellen iemand slaat de armen om je heen en zegt: dat was weer heerlijk iemand kust je vol op de mond iemand roept nog iets maar je bent al te ver iemand geeft je op de valreep de krant nog mee iemand kan het niet goed iemand zegt: voorzichtig zijn iemand vindt dat het zo moest zijn iemand slaat de armen om je heen en je jas is te dik iemand tekent met bevende handen een kruisje op je voorhoofd iemand geeft je haar hart of een pas geslepen potlood iemand is opgelucht iemand belt je na vijf minuten al iemand belt je nooit meer iemand schrijft nadien een brief iemand schrijft twaalf brieven en blaast een groene ballon op iemand schrobt daarna verwoed de houten vloer en zet de achterdeur open iemand slaat de armen om je heen en ruikt naar warme baksteen iemand slaat de armen om je heen en ruikt naar slapen in het gras iemand slaat de armen om je heen iemand slaat de armen om je heen en blijft