je denkt aan je dochter voorop kraaiend en genietend op de fiets en jij dan lieve woordjes bij haar oor dat nekje ruiken en die krulletjes daar toen waarvan je dacht dat ze altijd bij haar zouden horen
hoe opeens ineens zo plots ze nooit meer voorop want te groot zelden achterop want ze fietst nu zelf en nu het nog eens gebeurt haar knieën in je billen prikken en die prikkende knieën je vervullen met trots tot tranen toe roeren net zoals die krulletjes in dat nekje dat eens deden
aan hoe ze eerst nog tussen handpalm en elleboog paste eindeloos kwetsbaar en toen je even weg keek kort kuchte je een kwartslag draaide een nieuw universum zich aandient waarin ze met haar ogen rolt ironisch “oh, waauw” zegt waar ze leunt het ene been achteloos over het andere waarin ze veelbetekenende blikken werpt nonchalant huiswerk maakt vol drama en overtuiging vertelt en wij aan haar lippen haar T-shirt in haar rokje propt omdat ze in de spiegel iets zag een glimp van vrouw en wat zou kunnen zijn een leven dat geruisloos openplooit
je denkt aan je dochter die krulletjes slechts een herinnering van iemand die zij allang niet meer is je zou haar kunnen missen maar haar knieën prikken in je billen roepen je naar hier en nu en wat een geluk want ze was nooit mooier dan hier dan nu
je kan dat perspectief altijd kantelen de andere kant opkijken
zo kan je vandaag vergelijken met een prachtige zomerdag en dat moeilijk vinden of met die donkere dag vorig jaar in december en opgelucht zijn jouw leven vergelijken met dat van iemand wiens leven je graag zou willen of met dat van iemand die jóuw leven wel zou willen je glas kan halfvol zijn in plaats van halfleeg die vriend die je kwetste werd ongetwijfeld zelf gekwetst die boze chauffeur had vast een moeilijke dag
ik ben daar best goed in als het over mijn leven gaat, als het over anderen gaat dat kantelen en zoeken naar het perspectief waarbij je niemand onrecht aandoet waarbij dankbaarheid primeert
het enige perspectief waar ik koppig in blijf volharden is hoe ik mezelf zie hoe ik over mezelf denk en praat dat besefte ik onlangs tijdens het wandelen ik ging in mijn hoofd weer mijn lijstje aan tekortkomingen af dat ik liever anders zou zijn, andere capaciteiten zou willen hebben, op een ander wil lijken ik bedacht me dat ik dat wel vaker doe, dat het bijna een gewoonte is en dat ik het misschien eens moest kantelen
alles is perspectief, dus dit ook ik moest iets schrijven voor mezelf, over mezelf ik moest en zou woorden vinden de andere kant opkijken en mezelf eens wat minder onrecht aandoen
en het is gelukt! het was niet eens zo moeilijk
bij deze daag ik je uit: probeer het ook eens? het hoeft niet te rijmen 😉 ‘t is echt fijn, en je verdient het
het mag hieronder in de comments, stuur het naar mij privé, schrijf het in een schriftje of op een papieren zakdoek of spreek het eens uit voor de spiegel of tegen je baby of huisdier
er zijn zo van die dagen vandaag is niet zo’n dag, en daar ben ik blij om maar ze zijn er af en toe dus ik wou iets schrijven over de teleurstelling die ik dan voel, de schaamte zelfs omdat ik dacht dat ik “goed bezig” was, omdat ik mijn omgeving niet wil teleurstellen en vooral omdat ik niet die persoon wil zijn
maar dat wringen in wat niet past die deur uit alle macht dicht houden haalt me uiteindelijk in en dan scheurt het
ik wil niet wachten tot het scheurt open doen als het zich aandient plaats maken in de zetel en het laten zijn míj laten zijn zonder oordeel
tot het weer over gaat want het gaat áltijd weer over
vier kinderhandjes die langzaam en geconcentreerd de groenten snijden en telkens net niet in hun vingers en het kan zoveel efficiënter en de ovenschaal die daar staat te wachten en de oven allang op temperatuur maar je wil hen niet opjagen, want dit is zo’n moment waarover je vanavond iets zal willen schrijven
je geliefde die je nek en schouders masseert en je krijgt maar geen genoeg van zijn sterke, warme handen maar je spieren zijn allang los nu en zijn handen vast pijnlijk en je hebt in gedachten al vijf keer ‘ge moogt gerust stoppen hé’ gezegd maar krijgt het nog niet over je lippen
op zondagmiddag met je vermoeide kleuter in bed gaan liggen en hij neuriet tevreden en streelt gedachteloos met het vuile, versleten lapje stof dat zijn lievelingsknuffel is jouw gezicht, telkens opnieuw
of je bladert door een dichtbundel terwijl een grote berg kleren nog gewassen moet en je struikelt plompverloren tussen twee woorden in die weldadige wereld van alles wat niet met woorden beschreven kan maar wel altijd tussen twee woorden te vinden is
Dat ze een brief zou kunnen schrijven naar haar nicht. Ze doet het. Snel, zonder er lang over na te denken. Al bij de eerste letter popelend om het af te hebben. Ze is al klaar. Ik mag het lezen en moet lachen. Onderdruk de neiging om een foto te maken en die alvast door te sturen naar de ouders van. Nee, we gaan dit traag doen. Ze vouwt de brief in vieren en ik zoek een envelop en postzegel. Ze likt aan de envelop en kleeft die zorgvuldig dicht. Ik schrijf het adres, zij plakt de postzegel.
We wandelen naar de brievenbus. De brief gaat erin en ik kan niet vertellen wanneer haar nicht de brief zal lezen. Misschien morgen al maar ik denk toch eerder overmorgen. Als ze niet thuis is misschien nog later. Of misschien komt de brief helemaal niet aan. Er gaat soms post verloren. En wanneer dan een antwoord zal komen op haar vraag. En hoe gaat ze onthouden wat haar vraag ook alweer was?
Ook al schreef ze de brief zo snel. Nu komt de traagheid. De onzekerheid, de inspanning, het wachten, het vergeten en weer herinneren, het verlangen. (Geen blauwe vinkjes. Minder ongeduld ook denk ik. Want geen twijfels over waarom nog geen antwoord want toch al gelezen. En net nog online. En even aan het typen en nu weer gestopt.)
Het wordt een warme week. We gaan een zwembad halen vandaag. Dat gaan we doen. Zo snel mogelijk. Maar nádat ze voorgelezen heeft voor haar broer. Nadat we de babybananenplant losgesneden hebben van de moeder en een eigen potje gegeven. Ze het de hele tijd bemoedigend toegesproken heeft en nu een plekje dicht bij de moederplant gekozen. Nadat we met oma gebeld hebben. Nadat we op straat gespeeld hebben. Mölkky en met krijt een huis getekend en wat met de buren gebabbeld. Nadat het zoontje plots verdwenen is. En ik hem in zijn bed terugvind met playmobilmannekes en twee buurkindjes. Nadat ze boterhammen gegeten hebben omdat het plots al middag is. Nadat ze het Jungleboek gekeken hebben met op schoot ‘een kommetje met vanalles’ en haar zwarte panter Lut die erg onder de indruk is van de moedige Bagheera. Nadat ik kefir gemaakt heb, de vaatwas geleegd, de was geplooid en wat gestofzuigd in dat hoekje waar zich haren, stofwolkjes en blijkbaar teennagels hebben verzameld. Nadat ik wat verdwaalde cracotten gegeten heb die het zoontje overal laat rondslingeren. Nadat ik heb gezegd dat ze deze keer hun rommel écht zelf moeten opruimen en ik het daarna allemaal opruim. Nadat ik geschreeuwd heb dat ze moeten stoppen met schreeuwen.
Dán gaan we het zwembad halen. Zo snel mogelijk dus voor de man alweer thuis komt van zijn werk. Met de auto ook al is de winkel vlakbij en we alledrie een hekel aan de auto hebben. Het stinkt hier, roepen ze. Het is hier veel te warm, puf ik. Die winkel met dat zwembad ligt naast een supermarkt. Daar moeten we ook nog even heen voor avondeten. Terwijl de kinderen elk aan één kant van de kar bengelen, bedenk ik wat we kunnen eten. Iets met weinig werk en zonder vlees. Dat zijn meestal de enige vereisten. Pasta pesto. Ja. We wachten bij de kassa en de kinderen beginnen een liedje te zingen. Ik beantwoord verstrooid een bericht op mijn gsm. Als ik opkijk zie ik veel vertederde blikken en dat de aanblik van die twee zingende kinderen inderdaad nogal idyllisch aandoet. Ik laat de mensen graag in de waan en glimlach trots. Ja, zo gaat het altijd bij ons. Harmonieuze engelgezangen en alles onder controle.
De inhoud van de kar gaat in de koffer en wat is het heet op de parking. Even later in die andere winkel waar ik de zware doos (waar “team lift for your safety” op staat) onder op de kar probeer te schuiven. Het lukt na wat gezucht en gesteun. Waar de kinderen zijn weet ik niet. De man belt. Dat het de foute doos is. Ik zet me schrap. Sleep de ene doos terug. Sleep een nieuwe doos richting de kar. Een tweede keer zou vlotter moeten gaan. Bezweet en buiten adem verzamel ik de kinderen. Reken af terwijl ze de kar bijna omver trekken. De man belt weer. Dat er nog een andere optie is die groter én goedkoper is. Terug de winkel in. Je zou denken dat het een derde keer toch echt vlotter gaat.
We rijden naar huis met het goedkoper maar groter zwembad. Wat is het heet. De kinderen maken ruzie. Ze steekt haar voet in zijn gezicht. Hij vindt dat niet leuk. Dat is duidelijk te horen aan zijn geschreeuw. Haar voet blijft daar. Zijn geschreeuw zwelt aan. Haar voet blijft. Ik zwaai wild met mijn arm achter me in de hoop die voet te vangen. Schreeuw dat ze gevaarlijk zijn en als we botsen dat het hun fout is. Ik herinner me dat het er vroeger, toen ik met mijn drie broers op de achterbank gepropt zat, ook nogal heftig aan toe kon gaan. En mijn vader uiteindelijk zijn geduld verloor, de auto met gierende banden tot stilstand bracht en schreeuwde dat als we niet ophielden, we te voet naar huis mochten. En we dan de rest van de rit huilden. Maar geen ruzie meer maakten. Ik overweeg eenzelfde actie maar mijn kinderen zijn helaas (of gelukkig) nooit zo onder de indruk van mijn boosheid. Bovendien zou de kans bestaan dat ze met alle plezier naar huis zouden stappen. “Het stinkt hier toch. Da-haag moeder.” Dus ik verbijt mijn groeiende frustratie en probeer me op te weg te focussen.
We zijn thuis. Ik begin uit te laden en de man komt aangewandeld. Ik heb honger. Mijn lunch bestond uit verdwaalde cracotten besef ik. En ik ben de pesto vergeten. Ik ben verdorie de pesto vergeten! En néé, ik ga geen verse maken. Het is laat en ik heb honger. Ik heb zin om te schreeuwen. De man hoort mijn gebazel. Iets met te warm, te druk, te veel prikkels, pesto vergeten. Oké, zegt hij. Ga even alleen wandelen. Door het park naar het winkeltje vlakbij. Koop daar pesto. Wandel terug.
Dus dat doe ik. In het arboretum, waar het heerlijk rustig en koel is, zie ik een leeg bankje. Ik ga zitten. Kijk naar de ruisende bladeren. Het dansende licht. Een eekhoorn. Oortjes in en meditatie-app op. Ogen dicht. Even rust. Dat overprikkelde hoofd opmerken, uitzoomen. Rustig ademhalen. Het bankje dat zich onder mijn achterwerk nestelt. Plots grond onder mijn voeten. Oh ja, hier was ik. In de traagheid. En terug in mijn ‘window of tolerance”. Als ik mijn ogen terug open, zit er een koppel met baby op het bankje naast me. Ze zijn stil. Beginnen pas te praten als ze zien dat ik rechtsta. Wat lief.
In het winkeltje zoek ik pesto. Bijna vijf euro voor een klein potje. Dat het verdorie lekkere pesto zal moeten zijn. Op de radio hoor ik “mijn liefde voor jou is diep zo diep” en ik denk, hoor ik dat nu echt, spelen ze dat nog, en ik ben weer tien jaar. Jimmy en co smeken om mijn aandacht maar ik betaal die dure vijf euro en wandel neuriënd terug naar huis. De man zet het zwembad op, de kinderen stuiteren in de tuin en ik maak pasta pesto. Het is al ver na eettijd maar hier is de traagheid.
De kinderen roepen dat ze dat niet lekker vinden, zoals altijd, en eten weinig, zoals altijd. De dure pesto ten spijt. Het zal nog lang duren voor het zwembad gevuld is want het is belachelijk groot maar we hebben tijd. De kinderen zullen kijken, wachten, vergeten, zich weer herinneren en verlangen tot ze eindelijk in het water kunnen duiken. En misschien, na uren, dagen zwemmen, valt er dan plots een brief van de nicht door de gleuf van onze voordeur. En misschien ook niet.
je wordt wakker en mist je zus die het vliegtuig nam en zo plots, zo zonder waarschuwing uit dit leven werd weggegomd
je mist je baby gisteren nog slapend op je arm maar tussen je vingers geglipt kruipend, fietsend, studerend de blik op vooruit
misschien mis je bijna alle herinneringen maar blijf je lachen omdat de rafelige randen van die zwarte gaten zacht en pluizig zijn en als je met je oude handen aarzelend het gezicht van één van je kinderen omvat wéét je weer hoe mooi het was
of mis je je man die op een dag met zware schouders vertrok op de keukentafel het gevoel van afwijzing achterliet als een cadeautje dat aan de muren blijft plakken hoe hard je ook schrobt
en je mist je vader nu al zo lang zijn zachte stem en vertrouwde lach zijn melodie, zijn lichtheid zijn sterke armen die nooit zijn kleinkinderen wiegden
ach, je mist je land zo intens de mensen, geuren, smaken en muziek zomaar de straat op lopen en dan klanken vangen die thuis zijn de armen van je moeder en hoe ze thee zette
je zal altijd missen rauw en diep en zacht en scherp allesoverheersend of rustig ergens achterin
je zal altijd missen iets of iemand drukte, kort of lang, een stempel op je hart wat overblijft is de afdruk en het koesteren van die afdruk
je zal altijd missen je zal altijd koesteren je zal altijd liefhebben
Maandagochtend. Gebrul vanuit de zolderkamer. Haar broer komt vrolijk de woonkamer binnen. Ik vraag hem wat er met zijn zus is. “Ik denk dat ze nog een beetje moe is.” Het geschreeuw, getier, gebrul zwelt aan. Ik hoor de man sussen. Dat ze de hele straat nog wakker brult. Dat vind ik toch ook een beetje gênant. Onze vorige buren waren het gewoon, maar nu we verhuisd zijn hebben we buren aan twee kanten. En het kan hier luid gaan, héél luid. Alle registers worden opengetrokken als iets niet naar wens is, als ze pijn hebben, boos zijn of als ik hen op het verkeerde moment aankijk. Wenen, schreeuwen, brullen alsof ze gemarteld worden. Het is soms zenuwtergend. Maar tegelijk kan ik daar best jaloers op zijn. Zo open en bloot kunnen voelen wat je voelt. Zo één met dat lichaam, dat stampt, briest, beeft en slaat. Om nadien eens diep te zuchten. De boosheid, het verdriet, de frustratie als een oude huid van je af te schudden en weer lichter verder te gaan. Ik wou dat ik het ook kon.
Maar zover is ze nu nog niet. Ze komt beneden. Huilt, brult, stampt en werpt zich dramatisch in de zetel. “IK BEN NOG ZO MOE-OE! IK WIL NOG SLA-PEN! EN TOBE HEEFT MIJ WAKKER GEMAAKT! IK HAAT HEM! EN IK WIL NIET NAAR SCHOOL!” Ik dronk gelukkig al een tas koffie en praat zacht op haar in. Of ze misschien net iets aan het dromen was en wat dan wel? Dat het soms heel lastig kan voelen als iemand je op het verkeerde moment wakker maakt. En je dan echt niet aan je dag wil beginnen. Dat ik dat ook soms heb. De woede zakt wat en het verdriet wringt zich een weg naar boven. Een lijfje vol verdriet, zo noemen we dat hier dan. En als het vol zit, dan moet het eruit. Dus ik laat haar huilen, met lange uithalen en tranen en snot. Dat lijfje schokt en trilt en na een tijdje komt er plaats voor iets anders. Een knorrende maag en nieuwsgierigheid naar die nieuwe granola met frambozen. Niet veel later zit ze aan tafel. Ze praat enthousiast met haar broer alsof er niets aan de hand is. Dat we nu zes huisdieren hebben en de wandelende takken kunnen dansen op muziek. De man complimenteert me, dat ik het goed heb aangepakt. Ik ben tevreden. Ik was in balans, mijn batterij gevuld waardoor haar emoties mij niet omver bliezen en zij rustig kon worden dankzij mijn rust. Coregulatie volgens de boekjes.
Ik denk aan hoe anders het hier ook soms loopt. Als de batterij niet gevuld is. Als we geen reserve hebben en boos en gefrustreerd reageren op het gebrul. Als ze dan nog meer gaan brullen, nog luider, van geen ophouden weten, ook mekaar nog eens in de haren vliegen en de stoppen bij mij doorslaan. Hoe ik dan soms met een vuist tegen de muur sla, iets door de kamer gooi of kapot wil maken. Alles om die frustratie uit mijn lijf te krijgen en te voorkomen dat ik hén iets aandoe. Wat wou ik dat ik dan kon doen zoals mijn kinderen. Luid janken, stampen en brullen tot alle frustratie eruit was. Tot het oude vel loskwam. En ik het kon afschudden en achterlaten. En dat dan geen gevolgen zou hebben. Ik daarna vrolijk over kippen kon praten alsof er niets gebeurd was. De uitbarsting alweer vergeten. Een beetje schommelen in de tuin. Zingen. Lichter zijn. Zonder schuldgevoel. Hoe bevrijdend zou dat zijn.
Een tijdje terug toen mijn zenuwen erg gespannen stonden en de dagen nog korter waren, sloegen de stoppen door. Ik gooide de deur woest dicht. Stormde de trap op. De slaapkamer in. En toen kwamen tranen, zoveel tranen. Het huilen gesmoord in een kussen. Niet zo open en bloot als mijn kinderen maar zachtjes jammerend. Dat ik het zo moeilijk vond. Dat ik niet sterk genoeg was. Andere mensen altijd zoveel sterker leken.
De dochter kwam aarzelend binnen. Keek gefascineerd en bezorgd. ‘Tobe, kom kijken! Mama weent! Met echte tranen!’. 4 grote ogen keken nu vol ontzag en nieuwsgierigheid. Even later kwamen ze terug met een briefje. “liefstemama weihoude van jouw echtwaar je bent een ster”. Nog meer tranen nu. En knuffels. En wat lichter. Een laagje afgeschud. Wij alledrie op het bed. Het zoontje neuriend met zijn hoofd op mijn buik genesteld. De dochter deed ‘de kaars’ en telde hardop hoelang ze dit kon aanhouden. Mompelde tussendoor: sorryvoordaarnet. Ik zuchtte eens diep en voelde hoe onder dat verdwenen laagje frustratie, nog wel wat andere lagen zaten. Schuldgevoel, twijfels, woede, onbegrip, een dikke laag angst, verdriet.
En nu schijnt de zon veel en zijn de dagen lang en ik voel me soms sterk. Mooi. Moedig en blij. Ik zoek naar wie ik ben onder al die lagen oud vel. Ik weet naar wie ik kan kijken. Die twee draakjes met hun gebrul, gestamp en getier. Ik weet welke woorden helpen als ik de pedalen dreig te verliezen. “Wei houde van jouw” en “je bent een ster”. Ik stond vorige week vier uur lang op de dansvloer en zong daarnet heel luid in de keuken en dat voelt als een soort afschudden. Ik mediteer en ook dat maakt me lichter.
Ik weet dat ik hier al ben. Dat ik alleen hoef te schudden, te kijken en te aanvaarden wat ik dan zie.
de koffie smaakt telkens weer als die eerste tas ‘s morgens met slapers in je ogen en dromen in je haren
je buigt mee met de wind met de seizoenen met stemmen en stemmingen omarmt wat op je weg en lost weer als je verder moet
net op het moment dat je gedachten met je aan de haal de geur van vochtig hout en jij terug in de barakken waar je als kind je stem hees van het zingen en roepen de mooiste dagen beleefde
iemand die zegt: wat zie je er goed uit en als je huilt: – gaat het? en – wat erg. en – ik weet zeker dat het weer overgaat
de muziek net wat nodig is opzwepend ontroerend scherp of kabbelend sij pe lend door je lichaam
een gast die niet welkom is toch even binnen laten ze komt anders toch terug een warm bad aanbieden en dan zien dat ze ook maar dat is en al weer vertrokken voor je er erg in hebt
voelen als je wil denken dansen als je wil denken zuchten als je wil denken ademen of schrijven of is dat hetzelfde
als je wil denken
taal zo mooi zo klein dat je als je buiten komt op straat gaat huilen of lachen hardop lachen en zegt: wat goed wat frappant zo op de juiste plek
de trap op naar de badkamer waar die lotion staat met de geur van vijg en roos een beetje op mijn handpalm en dan langzaam mijn handen over mekaar laten glijden ruiken hoe de geur vrijkomt en heel traag inademen voelen hoe zacht en geen weerstand even geen weerstand
de merel die ik tot hier hoor zingen en het genot dat door mijn lijf stroomt mijn hart dat wat zwelt en een onbestemd verlangen naar iets wat ik nog niet ken
mijn blote voeten op de houten trap en dan over de koude vloer, ze plakken een beetje en even later over het zachte hoekje van het tapijt
de tuin in zodat ik grond voel en mijn voetzolen zich krullen over de hobbels en zich plooien in kleine putten en het voelt als een trage dans
een briesje onder mijn armen door waardoor ik ze even strek en mijn hele lichaam lichter wordt en ik een fractie denk te zweven
het bloemenbed dat ik maanden terug met de kinderen zaaide en dat elke dag wat voller en groener en de intense voldoening van nu hier en daar wat wit en paars en de belofte aan nog zoveel meer
haar armen vanmorgen, voor ze haar klas inging, nog even rond zijn nekje en het zachte ‘ik hou van jou’ in zijn oor en hoe hij met een tevreden grommetje zijn hoofd tegen haar aan schurkte