iemand die vangt

iemand met plaats in de zetel
waar het ruikt naar herfst
zelfs in de lente
en naar mandarijn

iemand die hard kan lachen
kruimels van mijn wang veegt
zo gewoon
dat het nooit meer
gewoon
zal zijn

die zwaait en blijft
zwaaien
tot ik allang uit het zicht
en gedroogde appeltjes met kaneel
in een zakje
goed dicht

waar kaarsen aan gaan
als het donker wordt
en die soms wat huilt
omdat het
altijd weer
donker wordt

iemand die woorden kiest en schikt
anders dan ik ze denk
die zachter wordt in de avond
en twee voeten
stevig op de grond 

iemand die anders kijkt
en voorzichtig
mijn blik stuurt
naar waar het licht zacht is
en dat is hier
iemand met kasten vol
schelpen en geuren, woorden en noten
zachte melodieën
hoedjes van papier

iemand die me gooit en vangt
gooit en vangt
gooit
en vangt

iemand die lief heeft
en verder niets
helemaal niets
van me verlangt

Illustratie: Inez Peeters

Kontrabas

Ik vouw hun onderbroeken. Hoewel ik nog steeds twee stapeltjes maak, heeft dat weinig zin. Zij draagt bijna altijd zijn boxershorts. Ze vindt het fijn dat die zo ruim zitten. Hij daarentegen kiest regelmatig haar onderbroeken. Grauwig roze (ik sorteer mijn was niet) met gekleurde zebra’s erop. Of een glitterrandje. Hij vindt dat mooi.

Als ik hem help met zijn onderbroek, wil hij zijn rechterbeen niet opheffen. Die is kapot. Hij steekt zijn wijsvinger uit en begint te grommen, te boren en te schroeven. Zo, klaar. En ineens gaat zijn rechterbeen de lucht in en verdwijnt in het pijpje. Ik zing een liedje maar hij onderbreekt me streng. ‘Je liedje is op slot, mama. Volgende keer mag jij terug zingen, als je liedje weer open is.’

Hij loopt met zijn handen druk te bewegen en zoeft en zwaait. Gifarren redden van de monsters. Met zijn raket vliegen. Krokodillen doodmaken. Hij heeft veel meer fantasie dan zij op die leeftijd. Toen zij zo oud was bestonden haar dagen uit veel frustratie die steevast in driftbuien resulteerde en daarnaast heel veel vragen. Zij wou grip op haar leven, controle en kennis. Wilde alles zien, alles begrijpen, alles bepalen en voelde daarbij (te) veel en (te) heftig. Hem kan de realiteit niet zoveel schelen. Hij vraagt 1000x per dag ‘waarom’ maar het antwoord boeit hem niet, ’t is de vraag die hem amuseert.

Als ik voor het eerst in bijna nooit mijn strijkijzer en strijkplank nog eens bovenhaal, vraagt hij waarom ik mijn broek ga mixen. Hij komt vol verwachting kijken naar dat onbekende apparaat. Terwijl ik strijk, vraagt hij hoopvol wanneer ik ga beginnen en druipt teleurgesteld af als blijkt dat ik al bezig ben. En het dus maar dát is dat je met dat ding kan doen. Het maakt niet eens geluid.

De dochter praat aan de voordeur met een vriendinnetje. Ik hoor haar proesten om het woord “contrabas”. Daar zit kont in. Ze komt niet meer bij.

Met gestreken broek (de dochter merkt op dat er nog érg veel kreuken in zitten en dat ik het riempje beter ook gestreken had) vertrekken we naar de bibliotheek. Ze houdt haar pop vast, huppelt naast mij en tatert honderduit. In de bibliotheek gaat ze in een hoekje zitten met een stripverhaal en ik kan ongestoord mijn eigen boeken kiezen, dat is nieuw. We kiezen er ook samen een paar voor haar en haar broer en wandelen terug over de oude begraafplaats waar het prachtig wandelen is in de herfst.

We rapen okkernoten en kijken gefascineerd naar die berk die recht uit een graf groeit.
Ze vraagt me de naam voor te lezen van wie daar ligt. Ik zet me schrap voor een resem moeilijke vragen over de dood maar ze giechelt alleen. Billy. Daar zit bil in.

Er zijn werken in onze straat. Ze wijst naar een buis en vraagt waarom daar zoveel gaatjes in zitten. Ik zeg, zoals ongeveer 20x per dag, dat ik het niet weet en ze het straks maar aan haar vader moet vragen. “Ja, dat is omdat jij, hoe moet ik dat zeggen, ik wil niet zeggen dom want dat is niet zo lief, dus euhm, … Dat is omdat jij niet zo slim bent.” zegt ze, waarna ze nog een gedroogd appeltje in haar mond stopt. Ze checkt even hoe ik reageer. Als ik haar gespeeld verontwaardigd aankijk, lacht ze achter haar hand. “Gewoon een ietsiepietsie dom”, durft ze nu. Dat vraagt om een kietelaanval.

De volgende dag voel ik bij het hurken mijn broek scheuren. We zijn op wandel met de hele familie. Ik draag gelukkig een lange jas. Ik durf de schade niet op te meten dus de jas blijft aan, de hele dag. ‘s Avonds zie ik dat het niet meer te herstellen valt. De man wijst me er in het voorbijwandelen op dat ik dat riempje toch beter ook gestreken had. Dus de broek gaat uit, de vuilbak in en het strijkijzer terug in de diepe krochten van de kast.

Het zoontje komt kijken, zijn zus ook. Ze dragen ook geen broek. Uiteraard. Hij doet mijn liedje weer open. Ik zing van de boom staat op de berrug. Ze vallen in. Halihallo. Drie onderbroeken dansen door de keuken. Dat ziet er vast een ietsiepietsie, hoe zal ik het zeggen, dom uit. Maar ik hoor de man, die geamuseerd toekijkt, niet klagen.

los

je zat eerst nog op de fiets
het was herfst geworden en je fiets rammelde over de kasseien
je voelde iets mee rammelen ergens in je hoofd
maar je wou het niet lossen
het mocht niet lossen

en toen lag je daar, je gezicht ingelijst,
niemand om het te bewonderen
je staarde naar de grond
en het pluisje dat daar lag veerde af en toe geschrokken op
zweefde enkele centimeters naar links

je lijf lag daar op die tafel
zonder gezicht
haar handen streelden en wreven en knepen
rolden over je heen als golven op het strand
handen van een ervaren bakkersvrouw
die vertrouwden dat straks alles zou geuren naar vers,
naar nieuw en opnieuw en dat het belletje zou rinkelen
bij de eerste klant

je lijf zonder gezicht ontspande
toen gingen haar handen door je haren
koesterend
en jij voelde weer tot waar je reikte
was vergeten dat er zoveel van jou was
om te koesteren
en plots schokte er iets
het waren je schouders
en druppels vielen op het pluisje
dat nu geen kant meer op kon
en dat wat al zolang aan het rammelen was
kwam eindelijk los

zaterdagochtend

nadat hij moord en brand heeft geschreeuwd omdat:

-ze zijn knuffel voor hem had opgeraapt
-ze zijn knuffel terug op de grond had gelegd
-ik zijn kommetje uit de kast had gehaald
-ik zijn kommetje had teruggezet
-ik bij hem ging zitten terwijl hij op de grond zat te brullen
-ik wegging toen hij schreeuwde: jij moet weggaan!
-ik hem oppakte om te kalmeren
-ik hem terug neerzette
-ik naar hem keek
-zij naar hem keek
-ik niet naar hem keek
-ik iets tegen haar zei
-hij pap wou
-zijn pap nog niet klaar was
-hij warme melk wou
-zijn melk warm was
-hij op een gewone stoel wou zitten
-met een kussen
-hij helemaal niet op die stoel wou zitten
-en ook niet op dat kussen
-hij pap had gemorst, bijna niet zichtbaar voor het blote oog

heb ik me even in de badkamer teruggetrokken
ik masseerde mijn slapen en probeerde rustig te worden
diep in en uit te ademen

en dan hoor ik ineens vreselijk schattig gezang
ik kom de badkamer terug uit en
plotsklaps is de sfeer gekeerd
ze zingen “heppie burtei toe joe”
zeulen met mandjes waar hun baby’s in liggen te slapen, en dekentjes voor een picknick, en taart voor de jarige baby’s

nu zitten ze in het kasteel
en ik ben de vrouw van het kasteel
dus ik moet gaan

het weekend kan beginnen

raket

je zit hier op mijn schoot
want ik ben een raket
je zus, ze was bekaf
dus ligt al in haar bed

we vliegen naar de ruimte
de maan het gele kussen
je zus moest zo hard huilen
en ik kon haar niet sussen

je zus moest zo hard wenen
en eerst was ze heel kwaad
maar voelde in mijn armen
dat alles overgaat

want het leven voelt soms hard
het prikt en wringt en trekt
maar is soms plots weer zacht
en voelt bijna perfect

zoals je naar me kijkt
je armen rond mijn nek
je geeft me zachte kusjes
en ik ben weer op mijn plek

je zus moest echt hard wenen
maar toen het over was
haar lijfje weer ontspannen
toen voelde ik het pas

we zitten op een planeet
jouw rug tegen mijn knie
‘t is hier nochtans heel mooi
maar ‘t is de aarde niet

mijn lijf is een raket
en we gaan weer naar huis
want hier in onze zetel
hier komen we graag thuis

as long as there’s sun

we schommelden traag de zomer in die nooit helemaal wou doorbreken

maar we deden toch van blote voeten op straat, de voordeur open met de beste buren en broekjes vol krijt 

we sliepen in een tent met felle kleuren en kregen schemeravonden en dan pas hun bedjes in en wij dan nog wat staren naar de sterrenhemel maar als ik helemaal eerlijk toch iets te fris en iets te veel muggen en iets te moe om daar nog lang buiten naast jou

we werden wakker van loeiende koeien en oorverdovend gekwetter en het briesen van een paard en geruzie in hun tent want hij op haar deken en zij op zijn haar en ik had die nacht trouwens op hun potje geplast en voelde tevredenheid

en toen was er teveel regen en ik kreeg de beelden en koppen niet weg geschud en keek uit het raam en dan naar mijn huis en kinderen en kon het nooit allemaal tegelijk vasthouden en dacht aan hun verhalen over vluchten en was bang

we reden uren naar een plek waar het wat warmer en droger en moesten daar eerst bekomen van de lange rit en een moeilijk jaar en donkere gedachten en dat was toch iets te veel verwachten van zo’n zomerhuis met zwembad en ik las daar ook dat boek 

dat huis kon die donkerte niet helemaal oplossen maar het werd wel lichter want we werden nu wakker van kwetterende nichtjes en zaten elke ochtend allemaal aan die grote ontbijttafel waar gepord en gemopperd en gelachen werd en af en toe een droom gedeeld en steevast melk gemorst en we dronken koffietjes uit vier tasjes op een rij tot de laatste druppel uit de thermoskan en dan het zwembad in

we wandelden in grotten en steden met ballonnen, bloemen en fonteinen en zaten aan riviertjes met kaasjes en druiven en de overstromingen nu wat verder weg en mijn angst minder

de meisjes gilden meestal te luid en dan gingen wij wat verder zitten en het jongetje speelde overal behalve in dat zwembad en liet op zijn moedigste dag zijn voeten wel eens in het water bungelen

en toen was er vuur, overal vuur, dat schreeuwde mijn telefoon als ik die ’s avonds bekeek en ik dacht weer aan vluchten en de angst lag nu naast me in bed en kleedde me uit en bleef liggen ook lang nadat ik dat schermpje had uitgezet en jij erbij was gekomen

we vonden de beste plek tussen de wijngaarden op een heuvel om de zon te zien zakken en David Bowie zong door het autoraam ‘as long as there’s sun, as long as there’s rain, as long as there’s fire’ en de kinderen ‘ik heb de zon zien zakken’ en het rook daar naar geluk

we kwamen terug en het regende en we haalden wat er uit de dagen te halen viel en dat was best veel en warm en er werd gedanst en gelachen en gevierd (en de angst bij mij op schoot) 

ik zeg dag en zwaai en tot ziens en het is echt goed geweest en mijn zonnebril weer in het laatje linksboven in de bruine apothekerskast

morgen zal ik de angst (en telefoon) uit bed schoppen, opplooien en bij het strijkijzer leggen want dat is er wel maar we gebruiken het nooit en dan er is weer meer plaats voor jou en jij zal warm zijn en de lakens gewassen

Gebakken suiker

Hij roept me. Ligt in zijn nieuwe, grote bed in de kamer die nu hun kamer is. 

Ze oefenen al twee dagen. “Onze kamer” zeggen ze, en dan glunderend naar elkaar kijken. Op vakantie sliep hij al twee weken in een groot bed op dezelfde kamer als zijn zus. En dat ging goed. Hij vroeg geregeld naar zijn bedje. Wanneer we weer naar ons eigen huis zouden gaan en hij terug in zijn eigen bedje kon slapen. Met zijn twee tutjes en zijn twee baby’s. Hij stak dan van elk handje zijn duim en wijsvinger op. 

Zijn lijfje groeide uit zijn bedje, maar toch wilde hij er blijven slapen. In zijn ‘slaakslak’ met zijn gezicht in een hoekje tegen de spijlen. We vroegen het soms. Of hij het grote bed niet eens wilde proberen. Het stond daar al een tijdje klaar, naast zijn babybedje. Geduldig te wachten. Maar hij koos dan veilig en bekend. Hij heeft dat van geen vreemde. 

Op vakantie was er enkel dat grote bed. En het ging goed. De thuiskomst dus het moment voor die steeds weer uitgestelde verandering. En meteen bij zijn zus op de kamer. Dat wilde ik al een tijdje. De man twijfelde steeds want zouden ze dan niet slechter slapen, vroeger wakker zijn en we hadden toch twee kamers. Mijn eigen herinneringen aan alleen slapen als kind zijn niet zo fraai. Mijn angsten kregen dan de overhand. Op den duur was ik overdag al bang voor de nacht die me zonder genade elke avond weer opwachtte. Die nooit een keer kon worden overgeslagen. Dus hield ik vol. 

De man haalde zijn bedje uit elkaar. Hij was erbij en hielp. Ze sleepten het grote bed naar de kamer van zus. En oefenden ‘onze kamer’ en ‘de speelkamer’. En toen ging de bal aan het rollen. Want die grote slaapbank die bij ons op zolder stond, kon nu naar de speelkamer, zo werd het ook een logeerkamer. En toen kwamen zakken vol kleren en andere spullen tevoorschijn die veilig achter die slaapbank weg geborgen stonden. En de vriendin die van opruimen en inrichten houdt was er toevallig bij. Dus toen begonnen we de zolder op te ruimen. Zakken vol kinderkleren gingen eruit. Dekentjes van toen ze klein waren. Voor de kringloopwinkel. Een loopkarretje. Lelijk en van plastiek. Ze zetten er allebei hun eerste stapjes mee. Een zak vol zwangerschapkleren. Waar mijn buik tegenaan zwol en armpjes, oortjes en hersenen onder groeiden. Ik zag de man genieten. Zoveel kleren weg. De zolder werd ruimer. Rustiger. Ons bed kon nu anders staan. Er kwam een hele muur vrij. Ik zag het ook. Maar voelde het niet. 

‘s Avonds lag ik in bed. In die opgeruimde zolder. Gezelliger ingericht nu. Ruimte en rust. En ik voelde me wat ontwricht. Die kleertjes. Waar ze eerst in- en later uitgroeiden. Waar zij voor het eerst in kroop en de buitenproportionele euforie en trots bij ons toen. Broekjes, afgesleten aan de billen want daarop schoof hij aan een stevige snelheid door het huis. Pakjes waarin ze gulzig dronken aan de borst en hoe mij dat altijd bleef verbazen. Tegen mij aan in slaap vielen. Geurden naar zure spuug en uitgelopen pamper. Dekentjes waar ze voor het eerst op rolden. Dat loopkarretje. Waar zij op 9 maanden al het huis mee rond croste. En hij, 19 maand oud, zich eindelijk, bijna met tegenzin, eens aan optrok. Ik miste hen. Die versies van mijn kinderen die ik al die tijd dicht bij mij had op de zolderkamer. Ik dacht aan mijn man en hoe zeker hij was, meteen na de geboorte van de tweede. Dat twee genoeg was. En hoe ik nooit zeker ben, over niets. En kiezen is verliezen. Ik voelde verlies. Ik dacht aan mijn zoon die zo had uitgekeken naar zijn kleine bedje, twee weken lang. Daar lag hij nu, in een nieuwe kamer en in een bed waar hij amper in te vinden was, enkel zijn twee tutjes en twee baby’s waren gebleven. Hij had niet geklaagd. Niet naar zijn kleine bedje gevraagd. Ze hadden goed geslapen. 

Hij roept me. Vanuit zijn grote, nieuwe bed. We zijn al beneden, zij aan het ontbijten maar hij wou nog even blijven liggen. Ik ga kijken. en tut in zijn mond en eentje naast hem op ooghoogte, in elke hand een baby. Beentjes opgetrokken en zijn neusje begraven in zijn kussen. Tevreden. Hij ziet er tevreden uit. Hij kijkt op en zegt: “Mama, ik ruik naar gebakken suiker.” Ik frons, gebakken suiker? “Ja, zoals op een pannepoek. Ruik eens?” Ik ga bij hem liggen, want dat kan nu, met mijn neus in zijn nekje en ruik het ook. Gebakken suiker. En tevredenheid.

Zo’n ochtend en toewee tepels

Het is zo’n ochtend.

Het zoontje was wakker tussen 1u30 en 3u30, raakte maar niet terug in slaap. De man had niets gemerkt. Zijn gesnurk overstemde wellicht alle andere geluiden. Dus ík zo’n 5x naar het zoontje. Had uiteindelijk, bloot op de koude vloer, voor hem gezongen. Van ‘Baby mine’, dat is ons troostlied. Ik hield zijn hand vast door de spijlen van zijn bedje. Hij wou niet lossen. De gelijkenis met de scène uit Dumbo was treffend. Alleen het koortje en de absurd hoge vioolbegeleiding ontbrak. 

Het ontbijt verloopt moeizaam. 5 minuten voor we naar school moeten vertrekken, hoor ik de dochter iets zeggen over haar geheime zakje. En dat ik het nooit maar dan ook nooit van mijn leven zal vinden. Dat ze de beste verstopplaats ter wereld heeft gevonden. Ik registreer het niet echt want het zoontje is nog helemaal bloot. Zit vol bewondering zijn tepels te bekijken. Hij is toch zo trots op die tepels, toont ze graag aan de mensen bij wijze van kennismaking. “Kijk, ik heb tepels, toewee tepels!” 

Op school huilt hij bij het afscheid. Klemt zich aan me vast, wil bij mij blijven, zegt dat hij zo moe is en thuis verder wil slapen. Mijn hart zakt tot achter mijn navel. Ik houd mijn tranen tegen. Dat ik het begrijp. Dat ik dat ook zou willen. Dat het nu niet kan want dat ik moet werken. En laat hem luid huilend achter in de armen van de juf. 

Bezwaard fiets ik naar mijn werk. Het is eigenlijk mijn vrije dag. Maar er is een deadline en het kan enkel vandaag. Ik ben daar ambetant over. Een vrije dag is een vrije dag eigenlijk hé. Als dat afgehandeld is en ik terug huiswaarts fiets voel ik me zo triest. Denk aan de dochter die 5,5 jaar is en bijna naar het eerste leerjaar gaat. Die aan de juf vertelde hoe spannend ze het vindt, dat ze dat niet zal durven, niet zal kunnen, dat eerste leerjaar. En toen de juf vroeg of ze niet graag nieuwe dingen leert: “Neen, ik wil eigenlijk liever thuis met mijn broertje spelen.” Zo staat het in het boekje. Ze zal leren lezen, schrijven, rekenen en zwemmen. Veel druk. Veel verwachtingen. Ze vindt dat moeilijk. Ik vind dat moeilijk. Ik oefen het vertrouwen dat het goed komt. Zodat ze dat vertrouwen voelt en het 2 maanden kan groeien. 

Een man in een geparkeerde auto gooit ineens zijn deur open. Ik slaak een kreet. Ik kan nog net op tijd uitwijken. De man roept mij kwaad na dat hij bijna een hartinfarct deed. DAT HÍJ BIJNA EEN HARTINFARCT DEED? Verbouwereerd fiets ik verder. Bedenk daarna pas wat ik terug had kunnen zeggen. Mij uitvoerig excuseren. Vragen of het wel ging en of ik misschien even met hem langs het spoed moest rijden. Dat het allemaal mijn fout was, natuurlijk, zomaar op het fietspad rijden met een fiets. Wat dacht ik toch. Fietsen in Antwerpen. Dat is toch puur automobilisten pesten. Ik houd nog wat tranen tegen, die van daarnet. Het is zo’n ochtend en ik voel me zo moe. Zwaar. Triest. 

Thuis zie ik haar knuffel op de keukentafel. Met een onderbroek van het broertje en zijn kop in een kommetje. Ze deed dat vanmorgen. Heeft er waarschijnlijk iets over gezegd. Maar ik luisterde niet want rende haar blote broertje achterna. Hij wou blote tepels voor op school. 

Ik zie nog iets anders. Een schuine bloempot. Half van de turnmat aan het glijden. Er zit iets tussen de mat. En ik herinner ik me haar woorden. Over de beste verstopplaats ter wereld. Ze was zo zeker. Ik veeg wat tranen van mijn wangen want het is zo’n ochtend. Straks haal ik hen van school. Hij zal moe en hangerig zijn, zij misschien weer schreeuwen en stampen. Maar ik toch een beetje lichter. Dat denk ik wel. 

Nachtboek

verslag van de zwoele, zweterige nacht van 17 op 18 juni 2021

1:00  Ik lig nog wakker. Het is warm, het dakraam staat open, mijn gedachten malen en ik zit met een irritant liedje van Bart Peeters in mijn hoofd.

3:45 Ik ben blijkbaar in slaap gevallen want word wakker van een lichtflits gevolgd door een luide donderslag. Even later stromen de liters met veel kabaal uit de lucht. De man slaapt en snurkt zacht. Ik hoor boven het geraas van de regenstorm enkele merels fluiten. Ik probeer dat te begrijpen. Vooreerst is het nog midden in de nacht. Waar zijn hun merelouders om hen daarop te wijzen? Dat ze nog even moeten slapen want dat ze morgen anders de hele dag slechtgezind gaan zijn. Maar ook, waarom? Hoe gaat dat dan? Een tweetal merels, wakker geschrokken door de donder, zitten op een tak zo dicht mogelijk bij de boomstam zodat ze niet al te nat worden. Kopje wat ingetrokken. Zegt de ene merel tegen de andere: “Zedd’ oek wakker Juul?” “Ja Merel, en ik zen een bitsje bang aigelijk faitelijk.” “Awel, ik zen ook nie ielemoal oep moan gemák.” “k ‘em een idee! Kende da lieke van Saamsong en Gert?” “Dad’ien van samen oep de motto bedoelde?” “Nieje, zotteke, van as ge bààng èt in den doenkere moete floate” “Ahja? Serieus? Da’s oek ‘t ieste da’k er van oer. Awel, dan goan we dadis doeng zeiker? Mor god’ ongs moeder der nie ambetaant van worre?” “Nieje, die eed’eur oordoppen in en z’eed een sloppilleke gepakt omdadet zoe warrem is.” “Allé, ‘t is goe. Beginde gaai, ‘k zallekik wel invalle.” En zo geschiedde. 

4:00 Twee warme handjes op mijn buik plots en ik verschiet mij een ongeluk. Ze zal ‘s ochtends grinnikend vertellen dat ik wel een kilometer omhoog vloog. Ze kruipt bij mij, krult haar blote, plakkerige lijfje tegen het mijne. Dat ze een beetje bang is van dat lawaai. Ik stel haar gerust dat het maar regen is. Heel veel regen. Vraag haar of ze de vogels ook kan horen. Ik deel mijn theorie over Juul en Merel. We giechelen en knuffelen wat. Hoe heerlijk dit ook is, ik weet dat zolang zij hier bij mij ligt, ik geen oog dicht ga doen en ik moet morgen een beetje fris zijn op het werk. Dus ik breng haar terug naar haar kamer en laat haar achter met haar koalabeer Koewala (die we eerst hebben gerustgesteld dat het geluid enkel regen is) in haar armen geklemd. 

4:20 Juul en Merel zijn stil, waarschijnlijk heeft er eindelijk iemand van de merelgemeenschap zijn verantwoordelijkheid genomen en ingegrepen. Ik denk aan mijn dochtertje alleen in haar bed en voel me een beetje schuldig. Herinner me hoe vreselijk ik het zelf vond als kind om alleen en bang in bed te liggen. 

4:23 Het zoontje roept plots luid dat hij melk wil drinken. En als er na enkele seconden nog geen reactie komt, nog wat luider zodat zijn zus het zéker ook zou horen: “IIIIK WIIIIL MELLEK DRIIINKEN!!” Dus moeder regelt melk. 

4:37.    ‘Je merkt het aan de mussen, dat de lente lonkt’
Ik zucht en beeld me Bart Peeters aan het spit in. Het nummer was eerst best leuk, tot mijn man het iets te vaak draaide en het in mijn hoofd verzeilde. Da’s altijd problematisch want dat is daar zo’n labyrint dat zo’n liedje zeer moeilijk de weg naar buiten weer vindt. Zelfs het fantastische ‘All delighted people” van Sufjan Stevens heb ik eens vervloekt toen het me voor de zoveelste nacht op een rij gezelschap hield. 

4:40 Ik voel me net wegglijden als de haan enkele tuinen verder enthousiast begint te kraaien. Er is gelukkig nog wat plaats op het spit bij Bart Peeters. 

4:50 Op de nok van het dak begint een duif vol overgave te koeren. Het klinkt alsof ze naast me op bed zit en echt waar, hoe enthousiast kan je zijn over je eigen irritante gekoer? Ik laat Bart Peeters en de haan voor wat ze zijn en mijn fantasieën verplaatsen zich nu naar manieren om die duif het zwijgen op te leggen.

5:10 Ze roept: PAPAAAAA! En ik wil haar wens uiteraard respecteren en dus schud ik de man wakker. Even later komt hij zuchtend terug naast me liggen. Ze wou al opstaan.

5:25 De krant wordt rondgebracht in onze straat. Met een brommer die komt aangesnord, stopt bij een huis, weer optrekt, weer stopt, optrekt, stopt, optrekt, stopt, optrHOEVEEL MENSEN IN DEZE STRAAT LEZEN ER HIER VERDORIE NOG DE KRANT?! 

5:50 Ze roept nog eens en mijn sympathieke echtgenoot hijst zich alweer uit zijn bed.

6:15 Ze roepen nu allebei. Hij overtuigt hen dat het nog te vroeg is en dat ze nog wat moeten slapen. 

6:35 Alweer in koor. De man en ik kijken elkaar aan. “Weg ermee.” zeg ik. “Ja, we doen ze weg”, mompelt hij. We roepen dat ze haar broer uit zijn bed mag helpen en dat ze alvast naar beneden mogen gaan. We horen haar zijn kamer binnen gaan, hem liefdevol toespreken, of hij lekker geslapen heeft en of ze zijn slaapzakje moet uitdoen? Daarna stommelen ze samen de trap af. We zijn toch weer een beetje vertederd ook al willen we niet. ’t Is sterker dan onszelf. 

6:45 Ik haal de krant uit de brievenbus.