voor Eva-Lianne

Ik heb je maar anderhalf jaar gekend. Wat is dat in een mensenleven?

Ik ging in Antwerpen studeren en kende daar werkelijk niemand. Jou kende ik een beetje, we hadden 2 gemeenschappelijke vriendinnen die er hadden op aangedrongen dat we elkaar écht moesten leren kennen.

Ik herinner het me nog, mijn tweede avond in Antwerpen. Ik zou naar jouw kot komen in Wilrijk en we zouden samen eten. Mijn huidige schoonzus, die ik toen nog nooit ontmoet had en die “gewoon een vriendin” was van mijn broer, had me toegevoegd op msn. Iemand die Antwerpen kende en me wat op weg kon helpen als het nodig was. Ik vroeg haar welke bus ik kon nemen naar Wilrijk en ze raadde me aan naar de Rooseveltplaats te gaan en daar gewoon te zoeken naar een bus met Wilrijk op het scherm.

Ik vind het achteraf bekeken absurd dat dit de enige voorbereiding was die ik trof, in een stad die ik verder van haar noch pluim kende. Ik was zenuwachtig en ging de verschillende bussen af tot ik een bus vond die aan de beschrijving voldeed. Ik stapte op, vroeg de chauffeur of hij stopte aan “de Bist”, hij knikte nauwelijks waarneembaar en ik ging zitten. En wachtte. Het duurde een eeuwigheid voor de bus vertrok. Toen dat uiteindelijk gebeurde (ik had jou een enthousiaste sms gestuurd dat ik ein-de-lijk vertrokken was) bleek hij een enorme omweg te maken en de Bist was één van de laatste haltes. En jij maar wachten aan die bushalte. Maar ik geraakte er en we hadden een super gezellige avond. We aten de licht aangebrande en tegelijk nog wat rauwe cordon-bleus die je had proberen te bakken. Wat waren we nog groentjes wat het kotleven betrof. We lachten en praatten honderduit. Daar bleken we allebei goed in te zijn.

Ik herinner me dat nadien terug thuis geraken ook geen sinecure bleek. Ik zat nu op een bus die rechtstreeks naar Antwerpen reed. Ik wist dat ik er af moest aan het Centraal Station dus bleef maar wachten en uit het raam kijken tot dat prachtige gebouw zou opdoemen. Maar de tijd verstreek en er was geen station te zien. Toen ik uiteindelijk alle moed bijeenraapte en de chauffeur ging vragen of we er bijna waren, bleken we er al lang voorbij. Door werken nam de bus een andere route, uiteraard. Toen ik de chauffeur met dichtgeknepen stem vroeg wat ik nu moest doen, stuurde hij me geërgerd van zijn bus en wees naar de overkant van de straat, waar straks de bus zou komen die terug richting het station ging. Ik stond daar, het was donker en ik had geen flauw idee waar ik was. Ik slikte mijn tranen weg. De juiste bus kwam, de chauffeur bleek zelfs vriendelijk te zijn deze keer, wist me te zeggen waar ik moest afstappen en zei nog dat ik de groetjes moest doen “in Hent”. Ik rende bijna de hele weg naar huis, want de schoonzusdietoenmijnschoonzusnognietwas had gezegd dat ik in het donker beter niet alleen op straat kon komen. Buiten adem kwam ik mijn kot binnen, zakte op de grond en huilde. Ik stuurde dat ik eindelijk thuis was en jij stuurde van hallelluja en dat het zo’n fijne avond was geweest. Memorabel was het in ieder geval wel. 

Het anderhalf jaar dat volgde werden we goeie vriendinnen en Antwerpen onze thuis. Onze levens waren interessant, wervelend met af en toe de nodige portie drama. Uiteraard. Er was vanaf die eerste avond een vertrouwdheid waardoor we bijna meteen konden delen wat er écht toe deed. En dat was uiteraard de liefde, wat anders? Anderhalf jaar heb ik genoten van onze vriendschap die snel hecht werd. Je maakte de gekste dingen mee en de manier waarop je dat nadien met de nodige zelfrelativering kon vertellen was puur genieten. Je stond gretig in het leven, vol vertrouwen ook. 

Je zat vol plannen en dromen, zag toen al scherp wie je was en wilde zijn, wat je kon en hoe je je dromen concreet zou maken. Ik was minder van het concreet en van het plannen, meer van het dromen, denken, aarzelen en voelen. Een goeie match dus. 

Zo was het ook met de god waar we toen beiden nog in geloofden. Het was toen al duidelijk dat jij daar standvastiger in was dan ik. Mijn worsteling en twijfels, je hoorde ze begripvol aan maar herkende ze niet echt. Wat zou je zeggen als je zou horen dat ik ondertussen al jaren niet meer hoef te twijfelen? Zou je blij kunnen zijn dat erkennen dat ik niet meer geloofde, me zoveel rust heeft gebracht? Ik hoop het. Zou je zelf nog even standvastig geloven? Ik denk het. 

En toen, op 22 maart 2008, sloeg het nieuws in als een bom. Daar in Zambia, die put in de weg. Je was er niet meer. Ik was in Oostenrijk op dat moment. Het was Pasen. Het sneeuwde zomaar, als wit zacht verdriet. Ik weet nog dat ik geen lucht kreeg en een wildvreemde man me in zijn armen nam. Ik kon niet meer ophouden met huilen. Ik herinner me een vreselijke hoofdpijn van al dat huilen en hoe iemand “you look like a frog” tegen me zei. Ik heb zolang gewacht tot je terug zou komen. Tot ik wakker zou worden uit deze vreselijke nachtmerrie. Het heeft lang geduurd voor ik kon loslaten. Me erbij neerleggen dat ik mijn worstelingen en twijfels nooit meer met je zou kunnen delen. Dat jouw avonturen voorgoed voorbij waren. Ik las en herlas de ellenlange mails die we tijdens de examens naar elkaar hadden gestuurd. De maanden en jaren daarna waren voor mij turbulenter en onrustiger dan ooit. Het besef dat het nog eens kon gebeuren, plots, zonder waarschuwing. Iemand die ik liefhad die er ineens niet meer zou zijn. En dat onomkeerbaar was. 

Ik heb je maar anderhalf jaar gekend. Wat is dat in een mensenleven?
Maar het was voor mij zo bijzonder. Dat jij er vanaf die tweede avond in de toen nog erg intimiderende stad was. Wat ben ik blij dat ik je mocht kennen. Wat zou ik er veel voor geven je nu nog in mijn leven te hebben. Jij als bijna 33-jarige. Inspirerend, wervelend, betrokken en geliefd. Ongetwijfeld. 

Ik voelde het de voorbije dagen weer, zoals elk jaar rond deze periode. De angst, de onrust. Het besef van de kwetsbaarheid, de vergankelijkheid, de eindigheid van de levens van wie ik liefheb. Ik zat met mijn dochter op schoot, kuste haar wang, wiegde haar en streelde haar haren. Zag mijn zoontje voorbij draven, druk in de weer met lepeltjes en bordjes in zijn imaginaire wereldje. En ik bedacht dat het nu niet zo lang meer zal duren voor ik hen over jou kan vertellen. En dat ze misschien later ook zo kunnen wervelen en inspireren, dromen én doen. Net als jij. 

zullen we?

psst,
kom
kom eens hier
ja, hier bij mij
onder mijn arm is nog wat plaats
kom maar
ik zit hier
in dit hoekje
naast de kast
onder die plank
zie je?

zullen we hier even samen zitten?
en
deze onvoorspelbare
veranderlijke
wereld
die vandaag weer
veel te ver uitdijt
vergeten

zullen we gewoon voelen?
elkaars warmte
de troostende begrenzing van
die muur aan de ene
de kast aan de andere kant
en dan die geur van hout
de plank die iets te laag
waardoor we net niet
comfortabel zitten

zullen we gewoon even voelen?
deze te krappe ruimte en hoe
die gewoon is en wij
hier zijn
jij, mijn lief kind
en ik
zullen we rustig worden
ademen
ver weg van
de gevaarlijk uitdijende wereld

zullen we voelen?
grond onder onze voeten
jouw warme hand in de mijne
je lijf onder mijn arm
tot onze harten weer rustig kloppen

iets te warm wellicht
mijn nek pijnlijk
jouw knieën zeuren
en zullen we dan toch
nog wat langer
blijven zitten?

zullen we?

het is daar

het is daar op haar bed
dat geurt naar 
sluimerende slaap
bloemen
en wat vage restjes modder
in het vers krakende donker
terwijl haar ademhaling nog gejaagd
ze af en toe schrikt, kreunt,
haar hand omhoog vliegt
als een duiveltje-uit-een-doos

ze ‘ik wil niet slapen!’ roept
in haar slaap

het is daar aan haar voeten
dat de drukte van de dag
nog wat naschokt
in haar lijf
ze vertraagt
en ook mijn haasten en zuchten
mijn zenuwen en vluchten
uiteindelijk 
lang genoeg genegeerd
afdruipen
wegglippen
via de kier onder de deur

want het is stil geworden

het is daar in die stilte
aan haar voeten
op het bed
dat ik luister naar niets

en de woorden in mijn hoofd
dan pas
schuw
tevoorschijn komen 
zichtbaar worden 
zich ordenen

het is dan als ik
op het bed van mijn
slapende dochter zit
dat gedichten ontstaan
zoals nu, ineens,
dit

ik was vergeten

ik was vergeten
hoe simpel troosten
toen was

want jij
nog niet bewust van jij
was gewoon wij
pijn was onze pijn
ík moest niets doen
behalve zijn

dragen wiegen zingen
ik wiegde niet jou
maar Ons
jíj had niets van míj nodig
want wist nog niet dat er
een jij en een mij
was

dat is vandaag anders
je wringt
weet je met je lijf
geen blijf

je wil dat ik het oplos
je wil niet los
aan mij, terug in mij
niet meer voelen dat pijn
alleen jouw pijn is
dat dragen wiegen zingen
van die ander komt 

maar een moederlijf
lost op
want jij wringt en ik wring
je kreunt en de pijn
trekt door míjn lijf

dus hang vandaag
maar dicht 
je hoeft nog niet los
ík vang je pijn wel
die nooit
alleen jouw pijn
zal zijn         

belachelijk veel

Een ritueel uit mijn absolute top-10! Ik kan een hele dag uitkijken naar dat moment. 

Voor hij gaat slapen, mag hij kiezen, een paar liedjes uit het boek van de “Bakkebein”.

Dat ventje zit daar dan, in zijn slaapzak met zijn knuffel naast hem.
Eén en al tevredenheid.
Het boek op zijn schoot, de tut in zijn mond. Zijn vingertje zweeft boven de foto’s.
Blijft af en toe ergens hangen maar dan bedenkt hij zich, schudt zijn hoofdje en zoekt verder.

Hij zuigt geconcentreerd op zijn tut.
Zijn ogen schieten over de foto’s, houden halt, keren een rij terug, gaan weer verder.
Het genot spat eraf. Hij heeft hier de controle. Hij mag dit helemaal zelf kiezen.
Hij rekt dat kiezen en dat twijfelen dan ook heerlijk lang. Dit is zijn momentje.
En ik zit daar en kijk naar hem. Voel belachelijk veel liefde. 

En dan ineens weet hij het.
Het vingertje gaat resoluut naar een foto, we zoeken de juiste pagina en ik zing zacht terwijl hij de foto nu in het groot bestudeert. 

Daarna mag hij een nieuw liedje kiezen en kan het zoeken en twijfelen weer beginnen. 
Hij geniet, ik geniet en ik wil dit met hem doen, voor eeuwig en altijd.
Of toch zeker tot ik 93 ben. Daarna wordt het misschien een beetje raar.

Een stralende toekomst

Na zo’n 6 maanden lesgeven met mondmasker moet ik toegeven: het is nog steeds vreselijk irritant maar het went ook wel een beetje. En, optimistisch als ik ben, heb ik zelfs – op vraag van Erika Vlieghe – enkele voordelen ontdekt:

  • Blozen. Je ziet het met mondmasker amper als iemand bloost. Blijkbaar vinden mijn hersenen dat zo geruststellend dat blozen onder dat mondmasker helemaal niet meer voorkomt. Als dit mondmaskertijdperk ooit voorbij is, moet ik dus “gewoon” een manier vinden om mijn hersenen te overtuigen dat mijn gebloos niet zichtbaar is, en dan zal ik voor eeuwig en altijd van deze irritante eigenschap verlost zijn. 
  • Koortsblaren. Het was lang geleden maar ik had gisterenochtend weer prijs. Je kent het wel, zo’n branderige, brokkelige koortsblaas, werkelijk een prachtig zicht waar mijn cursisten dan 3 uur lang moeten op zitten zien. Maar nu dus, mooi verborgen achter mijn prachtige mondmasker. (Ik wil optimistisch zijn, dus zet dit maar even tussen haakjes: dat betekent helaas wel 3 uur lang zo’n stofje dat tot bloedens toe over de koorstblaas schuurt)
  • Dingen die uit je neus hangen. Niets is zo irritant als naar een leraar/spreker/gesprekspartner… te moeten kijken bij wie een brokje/druppel/snotsliert aan de neus bungelt. Ik check dan ook altijd zorgvuldig mijn neusgaten voor ik aan mijn les begin. Dat moet nu dus niet meer. Ik kan dus ‘s ochtends een volle minuut langer slapen! En mijn kinderen houden daar ook altijd rekening mee! 

Hierbij helpt het mondmasker helaas niet:

  • Tandpastavlekken op mijn kleren. El-ke keer op-nieuw. Om pas in de pauze te zien, de vlek er dan met water uit te proberen wrijven waardoor ik er de rest van les uitzie alsof ik aan het lacteren ben. En ik heb al genoeg gelacteerd in mijn leven! 
  • Ladders in mijn panty’s. 
  • Okselvijvers.
  • Struikelen over de poten van het bord. En over de stoel die naast het bord staat. En daarna terug over de poten van het bord. En botsen tegen de scherpe hoek van de tafel omdat mijn lichaam al iets te vroeg naar rechts werd gestuurd, buiten mijn wil om. (Algehele lompheid eigenlijk.)
  • Mijn fles water die op de grond dondert nadat ik er met mijn achterwerk tegen bots, el-ke les. Waardoor mijn cursisten zich iedere keer rot schrikken.

Zei ik al dat ik optimistisch ben? Ik zie het namelijk ook helemaal goed komen.

Ik voorspel dat er een virus komt dat zich ook via onze poriën zal verspreiden. We zullen ons dan in een soort van ruimtevaartpakken moeten voortbewegen. Een mondmasker zal tegen dan pure nostalgie zijn. En dat pak heeft niet alleen dezelfde voordelen als het mondmasker, nee, beter nog, het zal mijn andere vervelende euvels ook verhelpen!

Alleen die algehele lompheid. Die zal blijven. Maar iedereen zal er dan mee worstelen, gezien de ruimtevaartpakken. En ik zal een voorbeeld worden van hoe je lomp én gelukkig kan zijn. Workshops en lezingen geven. Op (ingepakte) handen gedragen worden (en af en toe op de grond vallen). Uiteindelijk tot koningin gekroond! 

Erika had gelijk. We moeten stoppen met al dat zeuren, er wacht ons (mij althans!) een stralende toekomst. 

In het Oude Badhuis (deel 2)

Het Oude Badhuis in de Veldstraat. Ik ga er nu enkele weken zwemmen. Jaren geleden ging ik er ook een paar keer zwemmen en bedacht toen een verhaal voor ons toenmalige project ‘De Bibliotheek van Babel’. Dat bestaat niet meer, maar het verhaal wel nog en het is, al zeg ik het zelf, één van mijn betere. Lees het hier.

Nu, zo’n 8 jaar later, ga ik dus weer wekelijks zwemmen en tijdens het zwemmen gisteren bedacht ik hoeveel ik na enkele zwembeurten al heb bijgeleerd. En ik wil het jullie niet onthouden. Het is namelijk zo, dat je als nieuwkomer in de wereld van de amateurzwemmers nogal snel opvalt. Of ik had in ieder geval dat gevoel, maar dat kan ook aan mij liggen.

Ik ontdekte dit alvast:

Zwemmers maken geen oogcontact: niet bij het binnenkomen, niet in het zwembad en zeker niet bij het douchen. Waarom dat zo is, geen idee. Maar ik moet toegeven dat het onder de douche toch een paar keer erg ongemakkelijk was die eerste keren, aangezien de meeste mannelijke zwemmers die naast me stonden, zich blijkbaar erg uitgebreid en óveral wilden wassen bij het douchen. Wegkijken is dan ook een kunst die ik intussen (gelukkig) helemaal onder de knie heb.

De kleedhokjes in het Oude Badhuis kunnen op slot en fungeren dus ook als lockers. Handig. Minder handig is het als je een kleedhokje kiest met een losse sleutel zonder bandje. En pas beseft dat je die sleutel nergens kwijt kan als je in het zwembad wil springen. En dan teruggaat naar je kleedhokje om te beseffen dat je het nummer niet kent. Want dat staat op het bandje, dat er dus niet is. Waardoor je – terwijl mensen zich aan het omkleden zijn – met die sleutel een 10-tal deuren moet uitproberen, intussen verontschuldigingen mompelend, alvorens je eigen hokje terug te vinden. En je daarna nog al je spullen moet verhuizen naar een vrij hokje mét bandje dat zich dan blijkbaar helemaal op het einde van de gang bevindt. Op zich best handig dat niemand je echt aankijkt tijdens dat proces.

Zet je duikbril nooit af aan de diepe kant van het bad. Die daarna terug opzetten vereist 2 handen, en het is onmogelijk om op dat smalle boordje te blijven staan als je geen handen vrij hebt om je vast te houden. Waardoor je dus na een derde keer in het water te belanden, met duikbril vol water aan je baantje terug moet beginnen alsof dat de bedoeling was.

Als je op een regenachtige avond gaat zwemmen in coronatijden kan het gebeuren dat je opeens helemaal alleen in het zwembad bent. Dat is een nogal bevreemdende ervaring. Of dat was het toch voor mij. Lichte euforie veranderde al snel in een zeer ongemakkelijk gevoel onder de blik van de ongetwijfeld al vreselijk verveelde badmeester, die nu enkel nog mij en mijn onnozele schoolslag had om naar te kijken. En toen ik merkte dat elk hoestje, elke plons en elk verslikgeluid door mij en enkel door mij geproduceerd werd en ook nog eens serieus galmde. (Het enige pluspunt voor de arme man was dat de kans op verdrinking bij mij iets groter was dan bij de indrukwekkende vlinderslagzwemmer die net het bad had verlaten). Ik voelde me dus eerst opgelucht toen de badmeester plots ook verdween. Om daarna (vanaf de diepe kant) toch net iets sneller terug te zwemmen met de plotse gedachte dat het zwembad zou sluiten en ze mij vergeten waren. Maar het zwembad sluit dus écht nog niet en ineens is daar een volgende shift en zwem je weer gezellig tussen andere intimiderende crawlzwemmers die geen oogcontact maken en dus je intens dankbare blik moeten missen.

Het strompelen richting douche na een uur intensief zwemmen, betekent niet dat je jezelf kapot gezwommen hebt. Het is iets met de zwaartekracht. Het is dan ook een kunst om zonder op je gezicht te gaan de douche te bereiken. Als je bij het uittrekken van je duikbril een zoete pijn voelt en de afdruk er na een uur nog steeds instaat, spande je duikbril wellicht íets te hard.

Wat ik ondertussen nog NIET heb ontdekt: Hoe haal je de persoon in die net iets te traag voor je zwemt? Ik heb geprobeerd: er als een onnozelaar rond beginnen zwemmen of halverwege het baantje rechtsomkeer maken zodat je plots voor die persoon zwemt. Geen van deze opties werd in dank afgenomen (hoewel dat moeilijk in te schatten is zonder oogcontact natuurlijk). Ik heb overwogen: eens diep ademhalen en er onderdoor zwemmen, maar de schrik om iets te vroeg terug boven water te komen heeft me gered van dit dwaze plan. Wie oh wie heeft het antwoord? Laat het me weten!

neergelegd

je was niet moe
je lijfje onrustig
ik
na zo’n vijf keer op en af
wél moe
had me erbij neergelegd
zag je in streepjes

jij stil nu – dat moest
maar ik zag je
eeuwig bewegen
benen de lucht in,
de knuffel liet je
alle hoeken van je bed zien
krassende nagels
luidruchtig gesmak
slaap nog ver weg

ik onderdrukte ergernis
focuste op je zachte lokken
die ik in gedachten aaide
luisterde naar je ademhaling

verbaasd plots
dat er nog leven was in deze kamer:
mijn god!
mijn kind
mijn prachtige kind

via
los van 
altijd deel van
mij

maar het was nogal veel
leven
op dit uur
ik zuchtte, geeuwde, wist
nog even volhouden
en dan is de slaap daar
ineens

ik had gelijk
ik zag het niet aankomen
voor ik er erg in had
sliep ik