oma

toen
met trotse glimlach en ogen die schitteren
aanschouwt ze haar spelende kroost
vanachter haar keukenraam

zachte handen en sterke armen
voor het troosten, dragen, wiegen en beschermen
zo vertrouwd, zo veilig
boenen het aanrecht schoon

ze draagt een keukenschort met bloemetjes
geurend naar ajuin en patatten
om verlegen gezichtjes in te verbergen
om tranen in op te vangen

gisteren
haar trotse glimlach duwt rimpels opzij
haar ogen versierd met kraaienpootjes
schitteren nog steeds vol liefde en ook wijsheid nu
genietend van haar drukke, bezige nageslacht

de keukenschort versleten
haar ruwe handen en bevende armen
wiegden ondertussen ook talloze kleinkinderen en achterkleinkinderen
nog steeds zo vertrouwd, veilig

nu
niet onsterfelijk maar eeuwig
want zie de trotse glimlach van haar kinderen
haar kleinkinderen die nu ook troosten, dragen, wiegen en beschermen
en zie de oogjes van de achterkleinkinderen
ze schitteren

P1000156

de dag erna

de dag erna
ik op de fiets
voel kleine steekjes
alsof jij je zaadje hebt geplant
en dat nu
aan het kiemen is

dat is alles wat ik me erbij kan voorstellen
iets frisgroen
een scheutje

jij hebt gezegd hoe blij je bent
al tegen mijn buik gefluisterd
dat je ervan houdt

maar het is slechts een puntje nu
en al wat ik me erbij kan voorstellen
is dat frisgroen
dat scheutje
lente
en daarna zomer?

vals

toen god nog een jongen was
met groene ogen en driehonderd sproeten
dacht hij: wat is het mooi hier
want hij zag enkel een korenveld
een blauwe hemel en vogels
hij hield van vogels

toen god nog kon dansen
met de andere kinderen
en vals zong
sprong op één been
van 1, 2, 3 stap
zei hij: wat ben ik hier graag
en wat goed dat ik dit gemaakt heb
want de handen waren warm
de stemmen gelukkig

toen werd god een soldaat
die doden moest
een vrouw
die haar kinderen verloor
een kerkganger
die alleen haten kon
een pester
waardoor een ander
niet meer leven wilde
een man
die vrouwen wilde
het liefst wanneer ze huilden

en hij dacht:
wat is het hier slecht
het korenveld verdwenen
wat heb ik gemaakt
de vogels verstomd
en hij weende

wat verlegen

Ze heeft toen beslist dat
hij bestond
alleen wat verlegen was

Ze had hem veel gevraagd
of hij kon tonen
welke weg ze moest
welke man of vrouw haar helpen kon
welk dak haar droog kon houden
welke hand haar troosten
ze koos steeds de foute weg,
het lekkende dak, de hand die sloeg

Ze had hem veel gevraagd
gesmeekt dat haar zoon
zou zuchten
zijn lipjes zou openen
tot zij haar tepel zachtjes
in dat kommetje kon laten rusten
haar trieste tepels
vonden geen lipjes
en barstten uit

Ze had hem veel gevraagd
of de stilte haar vriend kon worden
niet haar plaaggeest:
die haar op haar schouder tikte
en als ze zich omdraaide
vol verwachting
nergens was
of ze hem kon omarmen
zoals ze soms probeerde
waarna hij haar meedogenloos
op de grond wierp

Ze had hem veel gevraagd
dat wist ze wel
te veel want
afgeschrikt zweeg hij

Ze heeft toen beslist dat
hij bestond
alleen wat verlegen was

pausa

de leegte in mijn armen
die jij vullen wil
met een beetje leven
daarrond je eeuwige toewijding
en een strikje

dat beetje leven
wat moet daarmee
als het strikje los is

wat moet het
als er zoveel geschreeuwd wordt
zoveel moet en kan
en niemand weet hoe precies
wij al zeker niet
wijzen zullen we niet

de leegte in mijn armen
die ik koester
als een hele rust op een notenbalk
met daarachter een punt
om het zo lang mogelijk te rekken
uit angst voor wat zal volgen
accelerando en crescendo

tot het voorbij zal zijn
ook het punt uitgewerkt
en jij de leegte dus zal vullen
met een beetje leven

tot het nooit meer stil en leeg zal zijn
een tornado door onze levens zal razen
op een dag alles verwoest zal achterlaten
en niet meer zal omkijken
dat beetje leven
naar mijn armen die terug leeg zullen zijn
je eeuwige toewijding
en het strikje

omdat het moet

wij zijn niet gelukkig
omdat het moet

het geschreeuw en de extase
dat het nu of nooit allemaal
zo speciaal anders onvergetelijk
moet zijn
en de pijn
hoort daar zelden bij

het verplicht geluk
achtervolgt ons nu
het klopt op onze ramen
rammelt aan onze klinken
en het roept
dat wij niet gelukkig zijn
en dat de pijn
zit
in het midden van de woonkamer

wij struikelen
doen onze gordijnen dicht
de deur op slot
en zitten rug aan rug
in het midden van de woonkamer
en we lachen en huilen
om het gebonk op de ramen
van het verplicht geluk

want wij zijn niet gelukkig
omdat het moet

mādarloos

mādar, ik deed je pijn
ik heb me van je afgesneden en verlaten
je kleinkinderen door jouw hart gedragen, gezoogd en gesust
weggerukt
ik ben vertrokken naar het land van de beloftes en je zwaaide niet
je trillende hand op je hart vroeg
hoe moet ik verder

mādar, je doet me pijn
je hebt me afgesneden en verlaten
en je kleinkinderen die nog knikkebollend rustten in je hart
dat vandaag koud geworden is
je bent vertrokken zonder te wachten op mijn komst
zonder mijn hart bij jouw hart
mādar hoe moet ik verder

ik heb jou niet kunnen brengen mādar
niet kunnen dragen en sussen en wiegen op je weg
je magere handen hielden op met trillen
voor ik ze kon grijpen, strelen, kussen

mādar je doet me pijn
je kon niet op mij wachten
je gleed uit je lichaam voor je er erg in had
het land van de beloftes is nu zonder troost
zonder jouw gezang, gewieg, jouw strelen

mādarloos en de woorden die je in mijn mond legde kwijt

voor Bidar

jij of ik

en als ik mijn armen reik en grijp en jou vind
jou steeds vind
dat jij dan het zachtste het warmste het meeste bent
wat ik vinden kan
en als ik mijn armen reik en grijp en jou vind
ben ik volledig zijn wij eindelijk volledig het lichaam het denken het voelen
vind ik dan steeds ons niet één keer maar honderd
jij of ik – ik weet het op den duur niet meer

het rijmt een beetje

mag ik gewoon
een beetje schoon
voor boven op mijn kast

mag ik gewoon
een beetje schoon
voor ’s avonds op de tast

een schelleke van uw zachte buik
een stukske oor of een brokske arm
het maakt mij eigenlijk niet zoveel uit
als het maar van u is: schoon en warm

vrolijk dichten

Elke dag vertel je ‘t haar,
als het moet over de telefoon.

Dat houd je vol, al twintig jaar:
Liefste, ge zijt zo schoon

Als ze de prei in stukjes snijdt
of zit te lezen in het bad

als je op zondag met haar vrijt
Ge zijt zo schoon, mijn schat

Nu kijk je naar haar mager lijf
en haar lege, dode ogen

Je staat recht, buigt een beetje stijf
en zegt: ‘k Heb al die tijd gelogen.

Gij waart nu echt een lelijk wijf.