in het Oude Badhuis

Nog één keer. Hij zou nog één laatste baantje zwemmen. Dat laatste baantje, daar genoot hij altijd het meeste van. Hij concentreerde zich dan op elke beweging, op zijn hand die bij elke slag het water in tweeën spleet, op de tientallen luchtbelletjes die zich langs zijn huidplooien naar de oppervlakte bewogen en op de gewichtloosheid van zijn anders zo logge lichaam. Het had zowat hetzelfde effect als een 15-tal biertjes op vrijdagavond. Het totale plaatje dat op de achtergrond verdween en de details die werden uitvergroot. Details die hem ontroerden.

In het water waren dat de belletjes, de grote klok die hij zag bij elke hap naar lucht: eerst troebel, dan één tel scherp alvorens hij terug onder water verdween. De overijverige badmeester die heen en weer rende, mensen ter orde floot en flirtte met zijn 10 jaar jongere collega. De afwisselend samengeknepen en ontspannen bilspieren van de vrouw die voor hem zwom.

In het café was het de muziek die na een zeker percentage aan alcohol recht door zijn hart sneed. De oude vrouw die god-weet-waarom zo laat nog eenzaam aan een tafeltje zat, starend naar haar glas dat al uren leeg was. Het meisje met de perfecte borsten achter de bar, gepiercet en getatoeëerd, hemelsblauwe ogen en een zachte blik. Ze ontroerde hem en hij wilde haar graag meenemen naar huis. Bij het wakker worden: die borsten, die ogen!

Nog één keer. Eén allerlaatste baantje. Straks moest hij zich uit dat water hijsen. Zich in zijn kleren wurmen in de veel te warme ruimte. Het zweet zou langs zijn gezicht stromen en alle details en ontroering zouden verdwenen zijn. Enkel het totale plaatje zou te zien zijn, het onontkoombare totale plaatje. Maar dat moest nu nog niet. De klok schoot voorbij, de badmeester floot naar een rennend jongetje, zijn armen droegen zijn lichaam als vleugels op het water. De vrouw voor hem: bij elke slag met haar benen spanden haar billen zich op om daarna trillend te ontspannen, nog even na te deinen en zich daarna weer op te spannen. Prachtig vond hij het. Hij drukte zijn duikbril dichter aan en zwom haar achterna. Pure ontroering maakte zich van hem meester en hij moest, hij zou voelen. Waarom zou het totale plaatje moeten bestaan als dit prachtige detail er was? Doelbewuster dan ooit, de krop der ontroering nog in zijn keel, voelde hij haar zachte maar stevige bil ontspannen in zijn handpalm. Perfectie.

mādarloos

mādar, ik deed je pijn
ik heb me van je afgesneden en verlaten
je kleinkinderen door jouw hart gedragen, gezoogd en gesust
weggerukt
ik ben vertrokken naar het land van de beloftes en je zwaaide niet
je trillende hand op je hart vroeg
hoe moet ik verder

mādar, je doet me pijn
je hebt me afgesneden en verlaten
en je kleinkinderen die nog knikkebollend rustten in je hart
dat vandaag koud geworden is
je bent vertrokken zonder te wachten op mijn komst
zonder mijn hart bij jouw hart
mādar hoe moet ik verder

ik heb jou niet kunnen brengen mādar
niet kunnen dragen en sussen en wiegen op je weg
je magere handen hielden op met trillen
voor ik ze kon grijpen, strelen, kussen

mādar je doet me pijn
je kon niet op mij wachten
je gleed uit je lichaam voor je er erg in had
het land van de beloftes is nu zonder troost
zonder jouw gezang, gewieg, jouw strelen

mādarloos en de woorden die je in mijn mond legde kwijt

voor Bidar

Barry

Een zacht windje waait door onze haren terwijl we op onze hurken zitten en met steentjes mieren doodduwen. Mijn haar wordt te lang, dat zei oma gisteren nog. Ik hou ervan het even uit mijn gezicht te blazen en het daarna koppig terug te voelen glijden. Mijn T-shirt ruikt naar het wasproduct van oma. Ik vind dat best. Dat van moeder rook je nauwelijks omdat ze er te weinig van gebruikte. Ook Barry ruikt nu lekker en voor het eerst heeft hij veel sproeten in zijn gezicht. De dode mieren worden een smeerboel dus we besluiten sprinkhanen te gaan vangen in het veldje achter oma’s huis.

Eind augustus is het en we moeten bijna terug naar school. Tenminste, dat hopen we. Eigenlijk weten we nog steeds niet wat er nu gaat gebeuren. Oma zegt dat zij alles zal regelen, dat wij zoveel mogelijk moeten buiten spelen. Barry ligt op zijn buik in het hoge gras en wacht tot een sprinkhaan nadert. Ik denk dat Barry een beetje kapot gegaan is toen het gebeurde en heb geen idee hoe ik hem kan repareren. Oma lijkt het ook niet te weten.

Maar vandaag is een goeie dag. Hij is al de hele dag uitgelaten en daarnet wandelden we met de armen over elkaars schouders geslagen langs het water. Barry’s initiatief. Bijna zoals vóór het gebeurde, toen we samen vochten tegen de grote jongens, huilden in onze kamer bij mama en lachten om de mopjes van de kalender. Toen we met een oud zakmes bloedbroeders voor het leven werden. De ontstoken vinger maakte het des te echter.

Dat is de laatste weken wel anders. In het begin kroop ik bij hem in bed en hield hem vast tot hij wakker werd uit zijn nachtmerrie, bedaarde en nog nasnikkend terug in slaap viel. Hij liet het toen nog toe. Later werd hij woedend als hij me zag bij het wakker worden. Ik mocht hem niet vasthouden, moest vanuit mijn bed toekijken hoe hij vocht met wat hem elke nacht teisterde. Hij heeft moord en brand geschreeuwd tot oma toestemde om hem alleen te laten slapen. Ik word nu enkel ’s morgens nog geconfronteerd met mijn bleke, kleine broer met donkere kringen onder de ogen, die, terwijl iedereen nog sliep, zijn beddengoed al in de wasmachine heeft gestopt.

Maar vandaag is het een goede dag. Barry heeft een sprinkhaan gevangen en schatert omdat het beestje hem kietelt, zo tussen zijn samengeklemde handen. We willen hem zien! Voorzichtig opent Barry zijn handen. ’t Is een prachtexemplaar: bijna fluogroen en wel 6 centimeter groot. We wachten op de plotse sprong die het beest elk moment kan maken. Het dier blijft echter zitten op Barry’s hand, staart ons met zijn uitpuilende oogjes aan. De seconden lijken uren, de sprinkhaan verroert zich niet. Barry fluistert. ‘Je moet niet bij mij blijven, ik moet alleen zijn …’  Pas als een traan recht op zijn kleine kopje landt, kruipt de sprinkhaan – met tegenzin, zo lijkt het wel – naar de rand van Barry’s hand, om na enig aarzelen met een grote sprong tussen de grashalmen te verdwijnen. Ik leg mijn hand op Barry’s schouder. Hij laat het toe. Geluidloos huilt hij en trekt mijn arm verder om zich heen.

’s Avond klopt hij op mijn kamerdeur. Ik hoopte al dat hij zou komen. Later in de nacht word ik wakker van een klein, warm jongetje dat tegen me aan komt liggen, wiens haarpieken in mijn neus kriebelen. Ik houd hem vast en huil in zijn nek.

‘Niemand moet alleen zijn.’

Hoe ik leef

Het is goed zo.

Ik fiets onder bruggen, met wind die huilt en trekt en draait en die ik bejubel in mijn rug of aan het water of als ik binnen zit en die ik vervloek als ik de energie niet vind er tegenin te gaan en ik me zo leeg en machteloos voel, dat kan alleen de wind met me doen. De herfst is mijn beste. Alleen de herfst krijgt mij aan het dansen en op mijn knieën, zuigt mij leeg en vult mij weer, jaagt mij naar buiten en trekt me weer naar binnen, en maakt het mogelijk te schreeuwen zonder gehoord te worden. Alleen de herfst kan dingen veroorzaken en ongedaan maken zonder daar om te geven, herinneringen brengen en weer laten sterven met de rest.

En mijn ander deel hij kijkt rond terwijl ik lees. Ik probeer het uit te leggen en hij knikt en glimlacht, zo lief. En als de trein vertraagt pakt hij onze spullen in terwijl ik lees tot het allerlaatste moment waarop hij het boek uit mijn handen neemt en dichtklapt. En soms dansen wij rond de tafel zonder kleren met onze vuisten in de lucht omdat wij strijden met het leven en het omarmen. Omdat wij met elkaar strijden maar nooit zonder het omarmen. En dat wij bang zijn van nieuw leven omdat wij bang zijn van dit leven. Omdat wij zo langzaam en zo plots alles wat we geloofden hebben achtergelaten. Wij durven soms niet te leven en kunnen soms niet leven met onze vragen en zijn soms gewoon bang om samen eenzaam te zijn zonder antwoorden.

Vier keer in de zetel. Zij leunt tegen het kussen, ik mijn hoofd op haar schouder, mijn ander deel rust op mijn arm en wordt door de vierde omarmd. We houden van elkaar en van de gezellige warmte in elkaars huizen, elkaars keukens, elkaars terras. In de zomer dronken en rookten wij samen, luisterden naar krekels en vleermuizen en probeerden elkaar te vinden. In de winter stookten wij het warm, wij lachten en huilden zelfs soms en sneeuw hielp ons lief te hebben. Vier keer in de zetel, we zwijgen en houden elkaar vast omdat we dit willen vasthouden. Ik weet dat we bang zijn voor wat komt en dit niet meer beter kan gaan en we elkaar misschien ergens zullen verliezen.

Ik worstel met hen die ik liefheb, met mezelf, met dit leven en met wat ik niet meer geloof. Ik hou vast en omarm. Ik werk, ik fiets, ik heb lief, ik droom en ik huil soms.

Het is goed zo.

jij of ik

en als ik mijn armen reik en grijp en jou vind
jou steeds vind
dat jij dan het zachtste het warmste het meeste bent
wat ik vinden kan
en als ik mijn armen reik en grijp en jou vind
ben ik volledig zijn wij eindelijk volledig het lichaam het denken het voelen
vind ik dan steeds ons niet één keer maar honderd
jij of ik – ik weet het op den duur niet meer

vier jaar meer

Ik ben ondertussen vier jaar verwijderd van jou.

En ik ben vier jaar meer. Meer verdriet, meer geluk, meer bitterheid, meer liefde, meer teleurgesteld, meer geschaterd, meer geschreeuwd, meer gedanst, meer gebonkt op muren, meer verlangd, meer gezien, gehoord, geleerd, meer liefgehad, meer gemist, meer pijn, meer angst, meer vastgehouden, meer storm, meer zon, meer leven.

Vier jaar meer leven. En wat waren dat vier ontzettend mooie jaren om te leven, want wat is leven ontzettend mooi.

En dat van jou was vier jaar geleden zo plots over, en wat is en blijft dat onbegrijpelijk. Zoveel ‘meer’ dat jij nooit mocht hebben, kennen en voelen en waar ik blijkbaar wel recht op heb. Nooit zal ik het begrijpen en het maakt me nog altijd zo kwaad en opstandig. Maar ik leef en besef hoe veel geluk ik heb, hoe ongelooflijk mooi leven is en hoe graag ik leef. Ik vind het steeds fijner en waardevoller en ik leef steeds liever.

Ik leef ondertussen vier jaar liever. En ik ben vier jaar meer gemis.

ik noem u lief

dat het zo plezant blijft met u, dat het goed gaat en gij zorgt dat ik zorg en ook wij voor elkaar
in elkaars hoofden en wij graaien en aaien zodat het meestal geen pijn doet
dat wij smakken en smachten en elkaar om de oren slaan
dat gij rust zijt en thuis en de was ophangt zo banaal en heerlijk

dat de aarde draait en wij daarop en genieten van de grond onder onze voeten
uw liefs smeert gij op de muren en het is niet te groot, nooit te groot dat ik weg zou moeten gaan
dat gij zoveel zijt en soms bijna alles en ge ploft in mij rond
dat het zo plezant blijft met u en dat gij de vuilzakken buiten zet zo banaal en heerlijk

dat antwoord ik niet als ze vragen hoe het gaat,
ik zeg eerder iets als: heel goed, jaja, echt heel goed

Kinderen zijn soms helden (maar dat blijven ze niet)

Ik zit met de handen over elkaar en kijk voorzichtig flauw glimlachend. Mijn kinderlijke, korte vingers die wat onwennig naast elkaar rusten op het tafelblad zullen nooit veel vrouwelijker worden dan dit. Mijn lippen samengeknepen tot een miniglimlach, zeker geen lach waarbij mijn tanden zichtbaar zijn. Dat wordt ten allen tijde vermeden. Ik oefende voor de spiegel, voor de juiste glimlach. Zonder tanden maar het moet toch nog een lach zijn. Het is er amper één geworden, eerder een ernstige glimlach van een kind dat het goed meent met de wereld maar veel wil veranderen. Dat wil ik ook. Ik wil liever arm zijn en in een klein huisje wonen in het bos, maar gelukkig, dan rijk en ongelukkig. Want zo leerde ik het. Als ik ooit geld zal hebben, deel ik het met alle arme mensen. Roken is slecht voor je gezondheid dus waarom zou je het ooit doen. Mensen die roken zijn dom. Als ik in de buurt kom van mensen die roken, hoest ik altijd extra hard. Elke woensdag papiertjes oprapen in de wijk, zakken vol in mama’s vuilbak. Ik gooi nooit, maar dan ook nooit, iets op de grond. De natuur is heel belangrijk, ik word later boswachter of tuinvrouw. Ik heb een beste vriendin aan wie ik alles vertel en voor wie ik zou sterven als dat nodig is, we dragen een vriendschapsbandje. Ik begrijp niet dat mensen geheimen kunnen hebben voor elkaar. Het is toch veel moeilijker om geheimen niet te vertellen dan wel. Mijn kleren maakte mijn moeder zelf. Zo past mijn haarband bij mijn jurk. Dat vinden mijn mama en haar vriendinnen heel mooi, mijn eigen vriendinnen ook maar andere klasgenoten lachen wel eens. Zij dragen kleren van merken waarvan ik nog nooit gehoord heb, maar geld is niet belangrijk, gelukkig zijn wel. En zij zijn rijk dus waarschijnlijk ongelukkig, want zo leerde ik het. Als je goeie dingen doet, zal je gelukkig zijn en God bestaat.

Ik weet nog niet dat ik het leven nooit meer zo eenvoudig zal vinden.

nu jij geweest bent

Nu jij geweest bent. Ze zeggen dat zo in gedichten: dat zoenen troosten. Je zoenen doen dat. En nu je allang weer weg bent drukken ze nog wat na, zacht. Nu ik alleen ben met je zoenen fluisteren ze. Ze weten precies waar en waarom en zo zacht. Je vingers kalmeren nu wanneer ze glijden, zacht knijpen en eeuwig blijven nastrelen. Je buik ligt nog ergens op mijn bed net binnen handbereik en gaat traag op en neer. Je navel stopte met zingen maar bromt nog wat na en pluist voorzichtig zoals bloesems in de lente. Voorzichtig mag je ook alweer terugkomen eigenlijk, zoals de bloesems in de lente.

appeltjes

Lientje was een week daarvoor 6 jaar geworden. Haar tante – waar Lientje soms schrik van had omdat zij veel tandvlees en weinig tanden toonde wanneer zij lachte – wilde haar graag meenemen naar het circus. Ze vond het zielig dat Lientjes broer zoveel ouder was en ze dus nooit broertjes of zusjes had om mee te spelen. Lientje zette haar angst opzij, want teveel tandvlees of niet, zo’n circus wilde ze toch absoluut niet missen.

Met grote ogen en open mond wandelde Lientje aan tantes hand de reusachtige tent binnen. Ze gingen halverwege op een gammel bankje zitten en Lientje mocht op tantes schoot want voor haar zat een grote, dikke man met een tattoo van een slang in zijn nek. Lientje wou liever echte slangen zien. Tante en de man bleken elkaar te kennen en de man leunde achterover om met tante te praten. Lientje werd een beetje bang toen de man bulderend begon te lachen waardoor de slang op zijn nek tot leven leek te komen. Ze drukte haar hoofd tegen tantes schouder maar ook tante begon te giechelen waarbij Lientje al dat tandvlees vlak voor haar gezicht zag verschijnen en weer verdwijnen. Lientje kon geen kant uit. Gelukkig werd het toen ineens stil en donker in de zaal. Er kwam een klein mannetje met een krulsnor naar het midden van de tent gewandeld. Oh, wat ze toen allemaal te zien kreeg! Veel mensen, allemaal in gekke pakjes; de ene slingerde aan een touw door de tent, de andere haalde konijnen uit zijn hoed en broekspijpen en de clowns waren veel grappiger dan nonkel Rudy. Wat genoot Lientje, ze was de slang en tantes tandvlees op slag vergeten.

En toen kwam de laatste act, het was iets met een reusachtig monster met klauwen en scherpe tanden, dat zei de man met de gekke snor. Een beetje angstig keek Lientje naar tante, maar die zat dromerig naar de slangenman voor haar te staren. Lientje werd al snel gerustgesteld toen het om een gewone leeuw in een kooi bleek te gaan. Leeuwen had ze al zo vaak gezien: in haar kleurboek, in de zoo en op televisie. Neen, van een leeuw was Lientje niet bang. Maar toen trok iets anders haar aandacht. De man met de zweep die naast de kooi stond, dat was de leeuwentemmer. Lientje keek verstomd naar de man: wat was hij mooi! Hij leek een beetje op haar grote broer Karel, maar zijn gezicht was veel bruiner. Hij droeg de mooiste paarse broek die Lientje ooit gezien had. En als hij lachte, oh wat werd ze daar blij van, zijn hele gezicht lachte mee, zijn tanden waren mooi wit en blonken en ze voelde zijn ogen stralen tot bij haar bankje halverwege de tent. Lientje giechelde van plezier en trappelde met haar voeten tegen tantes benen van opwinding. Maar zelfs dat merkte tante niet, haar gedachten waren helemaal bij de man met de slang, die het ook niet kon laten af en toe achter zich te kijken.

De leeuwentemmer zei iets in een taal die zij niet begreep, en de kleine meneer riep dat er iemand uit het publiek tot bij de leeuwentemmer mocht komen. Iemand die moedig en sterk was. Lientje wist dat dit alles was wat ze wilde, ze wilde dicht bij de leeuwentemmer zijn en dan moest hij nog eens lachen zoals daarnet. Ze strekte zich helemaal uit op tantes schoot en stak haar vinger zo ver mogelijk in de lucht. Ze gilde: ‘Iiiiik!’ Ach, niemand die haar opmerkte. Een grote man werd uitgekozen en die moest eigenlijk alleen maar de deur van de kooi openhouden. De leeuwentemmer zelf, met zijn prachtige broek, kroop in de kooi en na wat tromgeroffel hield hij zijn hoofd tussen de tanden in de wijd opengesperde bek van de leeuw. Het publiek hield zijn adem in, maar Lientje vond er maar niets aan. Leeuwen waren lieve dieren, dat wist ze van haar prentenboek en van de film ‘De Leeuwenkoning’. De show was nu bijna gedaan maar Lientje lette niet meer op. Ze was boos en moest vechten om haar tranen tegen te houden. Waarom had de leeuwentemmer haar er niet uitgekozen? Hij had haar vast niet gezien door de slangenman die voor haar zat. Als hij haar wel gezien zou hebben, had hij haar zeker naar voren geroepen! Die gedachte troostte haar en ze besloot zelf te zorgen dat ze de leeuwentemmer nog eens van dicht zou zien.

Toen de show voorbij was en iedereen zich klaar maakte om te vertrekken, glipte Lientje van tantes schoot en rende helemaal naar voor. Tante merkte het niet eens, die was weer met de man aan het praten en beiden lachten te luid. Er was niemand meer te zien op de plaats waar de leeuwenkooi had gestaan. De man met de snor was als laatste tussen de tentzeilen verdwenen, en voor hem de leeuwentemmer. Lientje wist dus waar ze naartoe moest. Ze kroop tussen de tentzeilen en kwam in een kleinere tent terecht waar ze zag hoe de artiesten zich uitkleedden, hun schmink afveegden en hun spullen bijeen zochten. Ze zagen er plots allemaal zo gewoon uit. Behalve de leeuwentemmer: plots zag ze hem staan. Hij droeg nog steeds zijn zachte paarse broek en stond in zijn eentje een knoop aan zijn jasje te naaien. Hij zag er prachtig uit. Niemand had haar tot nu toe opgemerkt dus ze kon ongestoord naar hem toe rennen. Ze tikte op zijn arm en keek vol verwachting naar boven. Verbaasd keek hij haar aan. ‘Ik wil met jou trouwen!’ zei ze heel dapper. Vragend maar vriendelijk fronste hij zijn wenkbrauwen: ‘Qué?’ Hij boog zich voorover, Lientje kon hem ruiken. Hij rook lekker naar appeltjes, naar de shampoo die Karel ook gebruikte. ‘Je ruikt zoals mijn grote broer. Hij geeft les op mijn school, volgend jaar is hij mijn meester!’ De man lachte niet-begrijpend. Lientje zag hem nu toch van dichtbij lachen, wat was hij mooi. Ze zou met deze man trouwen, dat had ze geweten van het eerste moment dat ze hem zag.

Op dat moment kwam haar tante de kleine tent binnengestormd. ‘Hier ben je! Wat ben je toch een onmogelijk kind, zomaar wegsluipen terwijl ik even met die vriendelijk man aan het praten was. Excuseert u me meneer! Hopelijk viel ze u niet lastig?’ Ze wachtte geen antwoord af, greep Lientje bij de arm en trok haar terug naar de grote tent die ondertussen helemaal leeggelopen was. Lientje zag nog even hoe de leeuwentemmer lachte en zwaaide en toen niets meer. Tante mopperde nog na: ‘En ik had nog wel zo’n fijn gesprek met Bruno, nu is hij natuurlijk al naar huis gegaan.’ De hele terugrit huilde Lientje, ze stikte bijna in haar tranen. Wat had zij een verdriet. Tante, die zich nu wel wat schuldig voelde, troostte haar en beloofde dat ze volgend jaar terug zouden gaan. Lientje droomde het hele jaar van haar leeuwentemmer, ze tekende hem wel honderd keer en telde af tot haar 7de verjaardag.

De leeuwentemmer was een kleine, bleke man met putten in zijn wangen en een dikke neus. Zijn broek was groen en lelijk en hij keek met opengesperde ogen het publiek in. Geen enkele keer lachte hij en Lientje stak haar vinger niet op. Ze wist dat ze haar leeuwentemmer nooit meer terug zou zien.

Later, toen ze ouder was, werd ze nog vele malen verliefd. Halsoverkop. En ze had nog vaak liefdesverdriet. Maar nooit meer was het zoals die allereerste keer met de leeuwentemmer. Haar leeuwentemmer die naar appeltjes rook.